dinsdag 5 juni 2012

2888

D.

maandag 4 juni 2012

uit een mail aan een kritische bloglezeres

(...)

Maar goed, we moeten het hebben over de nonnenfoto en wat ik daarbij heb geschreven.

Je hebt gelijk: ik had de woorden 'strompelende en verschrompelende kenauen' wellicht niet moeten gebruiken en misschien is het inderdaad beter dat deze religieuze relicten van een vervlogen verleden niet de knowhow hebben om zich op mijn blog te vergewissen van hun anachroniciteit.

Ik beken, ik was weinig respectvol. Hoewel? Heb je mijn tekst goed gelezen? Ik overloop hem nog even, samen met jou als je dat wil. Dat veronderstelt dus dat je die tekst er even bij neemt.

Het wordt inderdaad een zeldzaamheid, nonnen in het straatbeeld. Dat is niet méér dan een nuchtere vaststelling. De verwijzing naar geest, of Geest, is natuurlijk ingegeven door de reclame voor 'ESPRIT' op de foto. De link naar Sonneveld – en ik hoop dat je zijn sketch over de pinguïnnonnen op YouTube hebt bekeken – is niet toevallig: het gaat mij om de manier waarop je kùnt lachen met dingen, en toestanden, en zelfs mensen, die in een sfeer van eerbiedwaardigheid vertoeven. Door deze verwijzing in mijn tekst op te nemen, plaats ik mezelf – als het ware want ik hoor dat, in het licht van het genie van Sonneveld, met alle bescheidenheid te doen – in een bepaalde komische traditie. Of in elk geval: wat ik verder over die nonnen zeg, moet in het licht worden gezien van de ironie en de humor die van de sketch van Sonneveld afstralen. Met andere woorden: wat ik over die nonnen zeg, moet je niet helemáál au sérieux nemen.

Die ‘kenauen’, dat is erover. Dat geef ik toe. Hoewel, Van Dale zegt dat ‘kenau’ een ander woord is voor ‘manwijf’. Nonnen zo noemen, is derhalve een mening uitdrukken over het feit dat zij hun vrouw-zijn nooit ten volle hebben opgenomen. Het ‘strompelen’ en ‘verschrompelen’ is iets wat in mij, bij de aanblik van die nonnen, opkomt om het contrast met de winkelstraat, waarin enkel dynamiek en jeugdigheid van tel zijn, tot uitdrukking te brengen. Op ‘grijze muizen’ kom ik niet terug. Ik vind nonnen nu eenmaal niet ‘sexy’ – opnieuw: vanuit het perspectief van de waardenschaal van de winkelstraat. Een waardenschaal die ik, voor alle duidelijkheid, niet onderschrijf – maar het is wel een realiteit waar ik ook niet blind voor wil zijn! ‘Een leven laten voorbijgaan zonder echt te leven’, dat brengt de problematiek van het celibaat aan. Ik ben, en blijf, overtuigd van het feit dat iemand die nooit de warmte en de troostende compliciteit van de seksuele gemeenschap en eventueel het daaruit voortvloeiende (of voortspruitende) ouderschap heeft gekend, nooit écht, dat wil zeggen volledig, heeft geleefd. ‘Devote frustrées’? Ach, dat ik ze devoot noem, kan mij toch moeilijk worden aangewreven. En ‘gefrustreerd’? Ja, zowel als gevolg van hun onthoudingspolitiek als van de wetenschap dat we dat wellicht in min of meerdere mate allemaal zijn: gefrustreerd. En dan het ‘steriel’ en ‘vruchteloos’? Dat moet je in een en dezelfde betekeniscluster zien – dat zijn nu eenmaal de wetten van de literatuur (en literaire pretenties heb ik!) -: de dorheid van de nonnenschoot, en het per definitie – aangezien er, in mijn wereldbeeld, geen God bestaat – vruchteloze van hun gebeden. En dan dat ‘onbevlekt’ en ‘knikkebollend’: is dat blasfemisch? Ach, als dat blasfemisch is voor de katholieken, dan zijn zij even erg als de moslimfundamentalisten die moord en brand schreeuwen en bereid zich om zichzelf op te blazen voor een niet eens bijzonder spitsvondige cartoon waarop de baardprofeet met een bom staat te zwaaien. Bovendien is ‘onbevlekt’ – als ik het dan toch moet uitleggen – een allusie op dat volstrekt ridicule, eind-19de-eeuwse, dogma dat nu al in die mate meer verwarring heeft gezaaid dan duidelijkheid heeft geschapen dat het nu maar eens tijd wordt om er definitief afstand van te nemen. En dan de laatste opmerking, over dat alweer een dag dichter bij de verlosser staan. Dat is misschien de meest fundamentele kritiek die ik in mijn tekst heb binnengesmokkeld. De gelatenheid en het schaapachtige vertrouwen waarmee die devote katholieke vrouwen, die nonnen, zich naar het einde slepen en hun angst voor het sterven wegredeneren in een beaat geloof en zelfgenoegzame kwezelachtigheid. Ach.

Versta me niet verkeerd, Christiane. Natuurlijk heb ik niets te zeggen over de manier waarop andere mensen – nonnen en anderen – met hun sterfelijkheid omgaan. En natuurlijk weet ik dat veel van die nonnen – niet allemaal! – een werkelijk exemplarisch, dat wil zeggen: voorbeeldig, leven leiden of hebben geleden vol weldaden en inpirerende handelingen. (Ik heb er onlangs zo een leren kennen, ze had zich haar hele leven ingezet voor de geesteszieken in de Psychiatrische Kliniek Onze-Lieve-Vrouw op Sint-Michiels. Ik kan je zeggen: ik heb zéér veel bewondering voor haar opgevat.) Het enige wat ik met dat tekstje bij die foto heb willen zeggen – en ik geef het toe, misschien een beetje bruskerend en niet helemáál rekening houdend met alle mogelijke gevoeligheden –, is hoe het mij opviel hoe die twee – inderdaad strompelende en verschrompelende en grijze nonnen – totáál niet pasten in die winkelstraat en eigenlijk niets, maar dan werkelijk niets, van de geest (Geest) ofte ‘ESPRIT’ die zij zeggen te vertegenwoordigen overbrachten naar onze volslagen geseculariseerde 21ste eeuw.

Waarmee ik geen positief oordeel heb uitgesproken over de 21ste-eeuwse winkelstraat.

En dan is er in je reactie nog die sneer 'Gelukkig merken ze niet dat er steels van hen een foto wordt genomen.' Tja, wat moet er over dat steelse worden gezegd? - het zou ons heel ver kunnen voeren. Ik toon wat ik zie. Veel meer dan dat is het niet. Maar het betekent wel dat het te zien is. Is het tonen van wat te zien is diefstal?

Zo, ik hoop dat dit toch enige verduidelijking heeft verschaft.

Beste groet,

Pascal

wolken 386-387

wolkencitaten uit: Botho Strauss, Opdracht

386
Heel Europa gaat thans onder deze hitte gebukt. Dertig graden in de schaduw, midden juni, lichte stapelwolken, iedere dag hetzelfde. (9)

387
Ik tilde de gordijnen opzij en zag boven mij één enkele zwarte wolk, zwaar geladen, gewelfd als een reusachtig menselijk brein en, omdat deze juist voor de zon hing, omlijnd door een stekende lichtglans. (113)

schrikkel 143

Het is verderop verboden, maar je moet er hier al af. Wat is het nu precies? Het perspectief brengt de afmetingen van de persoon die inbreuk pleegt op de schaal van de voorstelling, minder zelfs. De afgebeelde persoon binnen de rode cirkel wandelt alvast de door de oranje wijzer voorgestelde richting uit.

schrikkel 142

Zij kwam haar nieuwe auto showen. Haar broer en diens collega waren uit het plaatsbestuur naar buiten gekomen. De collega had ook oog voor haar, onmiskenbaar. Tof bakske, hoeveel peekaa’s? En fiscale? Je ziet het soms, dit soort taferelen. De aanwinst wordt aan een soort van pronk- en keuringsritueel onderworpen. Maar het gaat niet om de wagen!

schrikkel 141

Het is een eenvoudig bestaan, lijkt me. Gedragen door een hoop op grootse vondsten. Een beetje uitzichtloos misschien, maar in elk geval duidelijk en overzichtelijk. En gezond bovendien. Spade in de aanslag om te graven naar bodemschatten en luisteren naar de klank van metaal op een aantrekkelijk en onbegrensd werkterrein.

schrikkel 139d

Steeds vaker worden taken, vroeger door mensen uitgevoerd, overgenomen door machines. We worden allemaal vervangen door vogelverschrikkers. We zijn overbodig. Enfin, toch in veel en wellicht in meer gevallen dan we geneigd zijn te denken. De vooruitgang staat niet stil. Hij raast voorbij en wij gaan ervoor aan de kant staan. De machines tonen hoe bescheiden onze bijdrage vroeger was. Deze, mét zotskap op, maant, door met de linkerarm, of zijn imitatie van een linkerarm, op en neer te zwaaien tot vertragen aan. Een weinig benijdenswaardige taak en we zijn blij dat we het niet meer zelf moeten doen. Maar is het efficiënt? Zotskap of niet, deze mensmachine kan niet uit eigen beweging de geschiktste plaats opzoeken – enkele honderden meter voor de file – om het hoogste rendement te halen. Kom je hem tegen als je al staat aan te schuiven, wordt hij pas goed belachelijk. En dan wou je dat het een levende mens was met wie je al eens een blik kon uitwisselen of, door je opengedraaide ruit, een paar woorden. ’t Ziet er niet goed uit achter je. Zoiets. Of: Heb je een paraplu bij?

reactie

beste Pascal,
ik vind je commentaar niet eerlijk tegenover de vele goedmenende en goeddoende nonnen die er zijn en geweest zijn!

Anoniem

schrikkel 140

Raven en fotograferen, dat is het recept – en ‘raven’ is een werkwoord, Engels uitgesproken. Jan Beddegenoodts, nauwelijks de twintig voorbij, bracht acht maanden door in Israël en Palestina. Hij bezocht er – en nam deel aan – woestijnfuiven, maar ook door politieoptredens onderdrukte opstanden. Hij probeerde de jonge mensen aan beide zijden van de muur waarmee de Palestijnen uit het Beloofde Land worden gehouden te begrijpen. Hij bracht hun spel en strijd in beeld. En hij maakte daarover een boek: A Taste of Freedom. Bij Raaklijn kwam Jan Beddegenoodts spreken. Hij zag er nog een beetje uitgewaaid uit van het feestje van de avond tevoren. Maar hij doet het goede.

geen verloren tijd 44

I, 347-353


In een lange beschrijvende uitweiding over het ten gehore gebrachte muziekstuk dat Swann verhindert de plaat te poetsen, probeert Proust ons te overtuigen van de ‘realiteit’ van het zinnetje dat onze treurende Swann zo ontroerd, van de ‘Swann-zang’, zouden we kunnen stellen. Welk een leed moet er bij de componist, Vinteuil, niet achter hebben gezeten dat hij zoiets heeft kunnen maken? Dat hij in zijn muziek de vreugde én de smart van Swanns liefde voor Odette heeft kunnen veraanschouwelijken, en wel op een zo troostende manier dat meteen alle verdriet wordt gerelativeerd – ‘Qu’est-ce cela? tout cela n’est rien.’ (348:28) – doordat het lijkt te worden opgenomen in een kosmisch geheel dat al het aardse, waar uiteraard al die anderen die bij het concert aanwezig zijn, al dan niet gemonocled, overstijgt en waar zij geen besef van hebben? Hoe dat precies gebeurt, daar valt met de rede niet achter te komen. Muzikale motieven zijn als een soort ideeën, impénétrables à l’intelligence (349:18-19). Maar ze hebben wel een dermate sterk vermogen om in onze ziel – door toedoen van de componist – aansluiting te vinden bij de daar aanwezige emoties, dat ze beslist als evenwaardig kunnen beschouwd worden met les idées de l’intelligence (350:11). Eens gehoord en begrepen, blijven ze in ons aanwezig. We kunnen niet terugkeren naar de staat waarin we ze nog niet kenden. De verrijking die ze ons hebben bezorgd, raken we nooit meer kwijt. Ze zullen ons totderdood vergezellen. En, besluit Proust bevlogen, la mort avec elles a quelque chose de moins amer, de moins inglorieux, peut-être de moins probable (350:41-42). Muziek maakt onsterfelijk. En het gaat wel degelijk over instrumentale muziek: de woorden van een lied zouden maar afleiden van de essentie.

Swann voelt een verlangen om die componist, inconnu et sublime (348:31), te leren kennen: qu’avait pu être sa vie? au fond de quelles douleurs avait-il puisé cette force de dieu, cette puissance illimitée de créer? (348:32-34).

De ijle droomtoestand waarin Swann zich door toedoen van de muziek bevindt, wordt bruusk afgebroken door de comtesse de Monteriender, célèbre par ses naïvetés (353:5). Zij buigt zich, avant même que la sonate fût finie (353:6-7) naar hem toe om hem kond te doen van haar verrukking: zij vond de zojuist ondergane ervaring al even sterk als die keer bij de tables tournantes (353:14-15)! De betovering is verbroken, het muziekstuk ten einde!

2887

E.

reactie

Dag Pascal,

ik vond bij eerste lezing van je commentaar bij die nonnen-foto dat deze als niet-typisch Pascal aanvoelde maar eerder een reactie uit wat een frustratie lijkt, in plaats van de reactie van 'de filosoof' waar we meer aan gewoon zijn.
Nu valt het me op dat er zoveel reactie op komt. Het siert je dat je de reacties publiek maakt. Maar het maakt me ook nieuwsgierig, hoewel het misschien mijn zaken niet zijn, hoe je je bij die reacties voelt (dit is geen naar een verantwoording hengelen).

met kameraadschappelijke groet, K.

zondag 3 juni 2012

2886

Brugge, Stil Ende - 2008 (?)

reactie

Omstreeks 11.00 uur zijn zuster Donata (76) en zuster Yvonne (79) op stap. Zuster Donata is de chauffeur van haar gemeenschap en heeft haar medezuster naar het ziekenhuis gebracht, waar een afspraak voor haar knieoperatie is gemaakt. Samen wandelen ze nu rustig via deze winkelstraat naar de broer van Donata, waar ze het middagmaal zullen nemen. Daarna zullen ze even een bezoekje brengen aan het schoolfeest in het kleuterschooltje in de buurt, ter gelegenheid van de inwijding van de nieuwe speelplaats, grotendeels gefinancierd met steun uit de kas van hun congregatie.
De jongste van de twee is decennialang vroedvrouw geweest, eerst in Congo, later in Rwanda. Nu is ze vrijwilliger op de palliatieve afdeling. Haar medezuster verlangt ernaar om, zodra ze hersteld is van de ingreep, opnieuw in het tweedehandswinkeltje van het Noodfonds mensen te kunnen bijstaan, al was het maar met een luisterend oor.

Allebei zijn ze al meer dan een halve eeuw trouw aan hun roeping. Nog steeds stemt het hen gelukkig en dankbaar dat die ze dag in dag mogen beleven. Met het kapje van hun uniform steken ze uit boven de grijze massa. Moedig blijven ze het dragen, ook al weten ze dat dit teken van hun religieuze inzet een grote verscheidenheid aan reacties oplevert. Gelukkig merken ze niet dat er steels van hen een foto wordt genomen. En al bij al is het ook een meevaller dat de laatste technologische ontwikkelingen aan hen voorbij zijn gegaan, zodat ze nooit de blog zullen lezen waarin ze snerend als ‘strompelende en verschrompelende kenauen’ worden voorgesteld!

Christiane Constandt

zaterdag 2 juni 2012

geen verloren tijd 43

I, 339-347


Swann duikt op in het blikveld van de prinses. Hij weet zich aan Mme de Cambremer en Mme de Saint-Euverte te ontworstelen en begint op speelse wijze een gesprekje met de princesse des Laumes. Hij mag haar wel, sa vue lui rappelait Guermantes, terre voisine de Combray, tout ce pays qu’il aimait tant et où il ne retournait plus pour ne pas s’éloigner d’Odette (340:19-21). Zij heeft bovendien meidoornbesjes in haar hoed verwerkt – de verwijzing naar de aubépines-passages in Combray is duidelijk. Swann en de prinses lachen eerst wat met de familienaam van Mme de Cambremer en hebben het onder meer over Guermantes en de rechten die de prinses daar kan doen gelden. Niet dat ze er wakker van ligt, maar ze weet wel dat de pastoor haar elk jaar cent francs (341:29) uit de zakken troggelt. De princesse is blij dat ze Swann ziet: Avouez que la vie est une chose affreuse. Il n’y a que quand je vous vois que je cesse de m’ennuyer. (342:2-4)

Proust voegt hier onmiddellijk enigszins malicieus aan toe: Et sans doute cela n’était pas vrai. (342:5) Wat zou het ook, niets in deze kringen is waar. Maar ’t is wel waar dat Swann en de prinses op les petites choses (342:6-7) een zelfde kijk hebben. Ze spreken er op dezelfde manier over, met dezelfde stembuigingen. Ze vinden elkaar in de maniertjes van la coterie Guermantes (342:14). Over les choses importantes (342:14-15) daarentegen hebben Swann en de prinses heel verschillende opinies, maar als ze nu zegt dat het leven vreselijk is, kan Swann zich daar wel in vinden aangezien hij voortdurend moet vechten tegen zijn verdriet om Odette. Swann en de prinses spreken af dat ze spoedig eens een avondje samen moeten doorbrengen in Guermantes.

Wanneer de prinses ’s avonds bij haar echtgenoot de soiree die ze net heeft meegemaakt evalueert, kan ze het niet laten te stellen dat het toch wel zonde is dat zo’n interessant persoon als Swann afziet voor une personne de ce genre et qui n’est même pas intéressante, car on la dit idiote (343:21-23).

Swann wimpelt een uitnodiging van de prinses weg: hij wacht eigenlijk op nieuws van Odette. En wanneer hij er dan toch eindelijk in slaagt om zich los te maken en aanstalten maakt om op huis af te gaan, vraagt de generaal de Froberville dat hij hem zou introduceren bij Mme de Cambremer. Zij is nieuw in deze kringen maar begroet de generaal toch al met de gesofisticeerde mengeling van berekening en spontaniteit die maakt dat geen enkel gebaar écht en waar kan zijn.

De generaal blijkt iemand te kennen in dezelfde rue La Pérouse waar Odette woont. Dat stemt Swann melancholiek. Het concert hervat en hij is veroordeeld nog langer te blijven en zich te ergeren aan la bêtise et les ridicules (344:38) van de aanwezigen, die blind blijven voor wat hem werkelijk interesseert of het hoogstens als un enfantillage of une folie (344:43) beschouwen – waardoor hij eenzaam achterblijft met het vervelende besef dat zijn liefde in hun ogen niets anders is dan un état subjectif qui n’existait que pour lui, dont rien d’extérieur ne lui affirmait la réalité (345:1-3). Zo gaat het met de liefde: zij bestaat slechts voor zover zij door de buitenwereld wordt bevestigd.

Het moge duidelijk zijn: Swann verkeert in een wankele gemoedsgesteldheid en is kwetsbaar. De muziek lijkt zijn emoties nog uit te vergroten. Zeker wanneer opeens, onverwacht!, het zinnetje van Vinteuil weerklinkt. Het gevolg laat zich raden: waar Swann er nog min of meer in was geslaagd met een zekere ratio terug te denken aan de vervlogen tijd van zijn onbekommerde liefde voor Odette in abstracte termen als le temps où j’étais heureux (345:29), overvalt hem nu een warreling van zeer concrete en daardoor des te pijnlijkere herinneringsbeelden van dingen en situaties waaraan die liefde zich gehecht heeft. Hij beseft dat het ongeluk, dat hij toen hij gelukkig was, al vreesde, intussen werkelijkheid is geworden: de tijd waarin hij dat geluk heeft beleefd, is voorgoed ontoegankelijk geworden. Het is un monde mystérieux geworden où on ne peut jamais revenir (347:5-6) – behalve natuurlijk, zoals wij als goede Proustlezers inmiddels weten, op een onrechtstreekse en weinig duurzame manier, via de mémoire involontaire. Deze komt hier niet via een geur tot haar ‘slachtoffer’ maar via de – quasi even etherische – muziek. De vergelijking tussen geur en klank wordt trouwens expliciet gemaakt: tandis qu’elle passait, légère, apaisante et murmurée comme un parfum (348:8-9; de vergelijking met un parfum wordt nog eens herhaald op 349:23)).

Terugdenkend aan de Swann die ooit door Odette werd bemind, kan de huidige Swann niet anders dan jaloers zijn. Hij begint zijn monocle op te poetsen – een meesterlijke zet van Proust want zo wordt Swann een gewoon misnoegd mannetje, een van de monocledragers die enkele bladzijden terug (326:11vv) zo meesterlijk-spottend werden neergezet.

wolken 384-385

wolkencitaten uit: Leen Charles, Ancien Regime

384
lieve, kijvende woorden langs mij heen laat stromen / op de tegels druppen, vlekken vormen / en landen, en wolken en de wereld (32)

385
waar auto’s ruggelings langs wolken rijden (60)

reactie

Klopt.
Ik was opgesloten van 53 - 58
in het Klein Seminarie van Mechelen.

Heb de Kerk afgezworen sinds de jaren '70.
Allemaal van vorige eeuw.

Maar ik heb nooit de behoefte gevoeld om het instituut te bekladden.
Ik heb er Mozart en Beethoven ontdekt, het Gregoriaans en de literatuur.

Misschien een artikeltje
over die witte raven van '68.
Die veel later toch ook maar zwarte en ordinaire poenscheppers blijken ...

mvg

Uvi

2885

S. - 2008 (?)

de dingen 71

vrijdag 1 juni 2012

mirage 58


090517 - ik weet niet meer waar dit was, het zal wel Frankrijk zijn

mirage 57

Liberec - 100409

ondertussen in brugge 176

2884

donderdag 31 mei 2012

geen verloren tijd 42

I,328-339


Swann betreedt de muziekzaal van de marquise de Saint-Euverte. Hij komt er in de buurt te zitten van Mme de Cambremer en Mme de Franquetot, die luisteren naar een stuk voor piano van Liszt. Proust steekt flink de draak met deze madames. Mme de Franquetot volgt het pianospel van de virtuoos met angstige ogen, commi si les touches sur lesquelles il courait avec agilité avaient été une suite de trapèzes d’où il pouvait tomber d’une hauteur de quatre-vingts mètres (328:22-25) ; Mme de Cambremer volgt met (pseudo)kennersblik, zodanig meeschommelend op de maat avec sa tête transformée en balancier de métronome (328:30) dat zij voortdurend met haar oorbellen in haar schouderbandjes blijft haken. Ook de marquise de Gallardon zit daar, en die betreurt het feit dat haar verwantschap met de Guermantes, waar ze prat op gaat, niet van haar is af te lezen. Deze marquise de Gallardon heeft zoveel zelfbegoochelingen en uitvluchten moeten bedenken om voor zichzelf aanvaardbaar te maken dat ze nergens nog wordt uitgenodigd dat ze, zo betoogt Proust, op den duur krom is gaan groeien, comme ces arbres qui, nes dans une mauvaise position au bord d’un précipice (‘afgrond’), sont forcés de croître en arrière pour garder leur équilibre (329:36-38).

De prinses des Laumes heeft zich, tegen alle verwachtingen in, ook verwaardigd om eventjes aan te lopen op het feestje van Mme de Saint-Euvertes. Met een bescheidenheid die enkel de zeer hooggeplaatsten zich kunnen permitteren, heeft ze quasi incognito plaatsgenomen naast Mme de Cambremer en ze volgt min of meer de hoofdschommelingen – nu op de tonen van een prelude van Chopin – van deze muziekexperte. Die onopvallendheid, die ze nogal kameleonachtig opzoekt, is ook ingegeven door cet esprit d’imitation voisin de la timidité que développe, chez les gens les plus sûrs d’eux-mêmes, l’ambiance d’un milieu nouveau, fût-il inférieur (331:6-8). Daar, naast de lager gesitueerde Mme de Cambremer, wacht de prinses tot iemand haar met een schrille gil zal detecteren – en dat zal dan het moment zijn waarop ze de volle glorie van haar prestige zal kunnen genieten.

Mme de Gallardon, die zich heeft voorgenomen om, als ze ooit de princesse des Laumes tegen het lijf zou lopen, haar koel te bejegenen, wordt nu met haar aanwezigheid geconfronteerd. De begroeting verloopt uiterst hypocriet. Gallardon nodigt Laumes op een nogal dwingende manier uit om de volgende dag bij haar naar het klarinetkwintet van Mozart te komen luisteren. De prinses begint al na te denken over hoe ze deze uitnoding kan afschepen zonder al te onbeleefd te zijn. Mme de Gallardon maakt haar attent op de aanwezigheid van Swann. Ze vindt het toch vreemd: un Juif chez la soeur et la belle-soeur de deux archevêques (334:39-40). De princesse des Laumes, genaamd Oriane de Guermantes, zegt dat dat haar niet choqueert.

Zodra ze op de hoogte is gebracht van Swanns aanwezigheid, wil de prinses nog maar één ding: door hem te worden opgemerkt. Zelfs indien Chopin, die al lang dood is, in eigen persoon zijn preludes en polonaises was komen spelen, dan nog zou het haar interesse niet hebben kunnen opwekken. Dit ontgaat Mme de Gallardon uiteraard niet – wat zou haar wel ontgaan? – en zij vraagt zich giftig af: il y a des gens qui prétendent que ce M. Swann, c’est quelqu’un qu’on ne peut pas recevoir chez soi, est-ce vrai? (335:31-33) Maar ze krijgt lik op stuk: tu dois bien savoir que c’est vrai, répondit la princesse des Laumes, puisque tu l’as invité cinquante fois et qu’il n’est jamais venu (335:34-36). Exit Mme de Gallardon, de staart tussen de benen.

Het is nu de beurt aan de gastvrouw, Mme de Saint-Euverte, om de aanwezigheid van de hoge gaste op te merken. Door een manoeuvre van Mme de Cambremer, die een kaars die op de piano wankelt onder de hevige aanslagen van de Chopin-interpreet voor vallen wil behoeden, komt de prinses des Laumes echter naast generaal de Froberville te staan. Tussen hen ontspint zich een dialoog waarin de prinses, telg van een oude aristocratie, bijzonder nuffig de nieuwe, door Napoleon in de adelstand verheven, aristocratie hekelt en – pars pro toto-gewijs – in dezelfde moeite ook de voorliefde van die nieuwe aristocratie voor Empire-meubilair. De generaal verdedigt de helden, maar de prinses wuift dat argument weg: het heldendom lijkt haar niet het beste criterium voor sociale omgang. Ze vindt het al lastig om gewoon, onder gelijken, diners te organiseren, laat staan s’il fallait offrir le bras à Spartacus pour aller à table (339:37-38)!

reactie

"Grijze muizen die een leven lang hebben laten voorbijgaan zonder echt te leven" - daar hoeven de meeste mensen geen non voor te worden, nietwaar?

facebookbericht 299

er wordt ons dezer dagen wel het een en ander levergansgewijs door de strot geramd: Uplace, een minnelijkeschikking-schikking voor witteboordencriminelen, een handvest - je zou van minder een indigestie krijgen

2883

Franse Alpen - 2008 (?)

geen verloren tijd 41

I, 322-328


De zelfbegoocheling van Swann kan niet blijven duren: het staat in de sterren geschreven dat hij op een dag met de neus op de feiten zal worden gedrukt. Dat gebeurt dan eindelijk op een soiree bij de marquise de Saint-Euverte. Swann heeft aan M. de Charlus gevraagd om de avond door te brengen bij Odette, zelf maakt hij zijn opwachting bij Saint-Euverte, dans un état de mélancolique indifférence à toutes les choses qui ne touchaient pas Odette (322:39-40). En precies doordat hij hier niets verwacht aan te treffen dat enig belang heeft voor zijn doel (Odette), kan hij aandacht opbrengen voor ‘de wereld van de society (…) op zichzelf’. En zo krijgen we een min of meer objectieve beschrijving van wat Swann aan lakeien en portiers en alle andere mogelijke vertegenwoordigers van de verschillende niveaus van de personeelshiërarchie die langs l’escalier monumental (324:28) staan opgesteld, en de door hen verstrekte serviele handelingen allemaal tegemoetkomt op zijn weg naar het epicentrum van de festiviteit waar hij als niet langer verwachte, late gast zijn opwachting maakt. Swann ziet in hen gelijkenissen met figuren op renaissanceschilderijen. Maar dat vermag hem niet te vermeien: Ah! avec quelle joie au contraire il eût grimpé les étages noirs, malodorants et casse-cou (‘halsbrekend’; 324:32-34) van het naaistertje waar hij met Odette een liefdesnestje had geïnstalleerd! Maar neen, hier moet hij langs al die strenge, in opgesteven livrei gestoken dienaren, die hem aan Mantegna, Dürer, Goya en Cellini doen denken – de opgang via de trap naar het bal van de marquise de Saint-Euverte wordt op die manier een rondgang door de West-Europese kunstgeschiedenis. En de gedachte aan de melkkannetjes in de portalen langs de trap naar het kamertje van Odettes naaister lui serra le coeur (326:10).

Swann komt aan bij de zaal waar het gezelschap een concert bijwoont. Bij de deur staan enkele mannen te praten. Hij is geïntrigeerd door de monocles op de lelijke koppen van de mannen. Hij ziet in elk van die monocles opeens une sorte d’individualité (326:27): ze lijken een eigen karakter te hebben, los van de persoon in wiens oog ze geklemd zitten. Swann wordt begroet door generaal de Froberville, net op het ogenblik dat marquis de Bréauté aan un romancier mondaine qui venait d’installer au coin de son oeil un monocle (327:11-13) vraagt wat hij hier komt doen. J’observe (327:16), antwoordt de romancier afgemeten. Dat kan kloppen want Proust, van wie we kunnen denken dat hij hier met een knipoog zichzelf als cameo ten tonele voert, omschrijft de monocle op de neus van de romancier als son seul organe d’investigation psychologique et d’impitoyable analyse (327:13-14).

woensdag 30 mei 2012

altijd veranderend

Van deze tekst heb ik hier eerder abusievelijk een te korte versie geplaatst. Nu de volledige recensie.

In het vijfde Gedichtendagessay bezint Erik Spinoy zich over het dynamische karakter en de te verwachten ontwikkeling van de poëzie. Zo’n bezinning kan moeilijk anders beginnen dan met een – poging tot – definitie die verder strekt dan het tautologische ‘[P]oëzie is wat mensen zeggen dat poëzie is’. Spinoy wijst er meteen op dat poëzie een voortdurend veranderend ‘historisch en sociaal fenomeen’ is. Voortdurend verandert de consensus met betrekking tot wat (goede, toonaangevende, vernieuwende) poëzie is. Hoe rotsvast en seculair zo’n consensus vaak lijkt, hij is altijd een constructie en dus aan mogelijke de-constructie onderhevig. Elke Bilderdijk is voorbestemd op een dag ‘Bulderdijk’ te worden: ooit alom gerespecteerd, uiteindelijk de ‘risee van elk weldenkend poëet’. Maar geen nood: ooit komt de rehabilitatie, de re-constructie.

De consensus is het resultaat van een strijd tussen botsende vertogen. Dichters worden door een vertoog aangesproken, nemen het over, zetten het naar hun hand – om uiteindelijk door een ander vertoog te worden ingehaald. Hierin valt geen planmatigheid te bespeuren, maar ook geen totale willekeur: elke dichter gaat in, of gaat niet in, op de uitdagingen van zijn tijd. Probleem: in onze tijd is de poëzie in die mate gemarginaliseerd dat je al goed moet luisteren om erdoor aangesproken te worden.

De vraag is dan ook: zal dit spel van constructie en deconstructie zich blijven doorzetten? Ja. Maar de romantiek heeft voor een kwalitatieve breuk gezorgd, aldus Spinoy. Zich verhouden tot een heersende consensus kreeg voortaan een andere invulling. De individualistische romanticus verzet zich tegen de aanpassing. In plaats van stilstand, die op gezette tijden wordt doorbroken, wordt verandering de factor van stabiliteit. En die verandering hoeft niet noodzakelijk vernieuwing te zijn: de romanticus kan evengoed teruggrijpen naar de traditie.

Als voorbeeld van de romanticus voert Erik Spinoy de vroege Hugo Claus op, die zich in het gedicht ‘Voor de dichter Antonin Artaud’ rekent tot ‘de vreemden, de verdwaalden, / de nooit gelanden, de ontwrichten’ en op die manier pleit voor ‘een absolute individuele vrijheid’. Claus valt het collectieve van de consensus aan. Maar uiteraard leidt dit tot een gespleten positie. Claus kan nog zoveel hij wil on-Vlaams willen zijn, hij is, ‘al zijn verzet ten spijt, toch niet denkbaar […] zonder dat hem knedende Vlaanderen’. Dezelfde vruchtbare gespletenheid kenmerkt Gezelle: gevangen in het katholieke dictaat, maar dartel experimenterend met de vorm en de mogelijkheden die hij, als een van de eersten in ons taalgebied, in het Nederlands, of toch in de door hem gehanteerde variant van het Nederlands, ontwaarde. Hij doorboort de geijkte taal met vonken genot. Hij verrijkt en herijkt de taal.

Dichters die voor verandering zorgen, ‘weten dat er meer in hen is dan wat hun tijdvak van hen maakt’. Spinoy zet zich en passant af tegen de catalogiseerdrift der poëziehistorici: het valt de dichters moeilijk de etiketten die hun worden opgeplakt van zich af schudden. Spinoy zal ten eeuwigen dage postmodernist blijven – niet omdat hij dat nog is maar omdat hij ooit zo is genoemd. 

Niet alleen de consensus over de poëziekwaliteit verandert voortdurend, hetzelfde geldt voor de consensus over de positie van de poëzie als genre ten opzichte van de andere literaire genres en, meer in het algemeen, de andere kunstvormen. Op dit ogenblik ‘is de poëzie vooral een heel goede daler: de Samuel Sanchez onder de kunsten’.

Wielersport en kunsten; vermenging van hoog en laag. En inderdaad: een summiere schets van hoe poëzie vandaag bestaat, kan niet zonder de zogenaamde kloof tussen hoge en lage cultuur op te voeren. Zo heeft Spinoy het, wanneer hij zijn eigen positiebepaling ten aanzien van de consensus beschrijft, over ‘Cyriel Coupé aka Anton van Wilderode’. Hij waagt het zelfs Guido Gezelle te koppelen aan Serge Gainsbourg! Uit deze frivole contrastering van gesofisticeerd en vulgair spint Spinoy een van de rode draden waarmee hij zijn nogal fragmentarisch opgebouwde essay samenhoudt.

Het ‘fenomeen’ poëzie hoeft helemaal niet te worden opgevat als iets wat altijd zal blijven bestaan. ‘De tekenen’ zijn in elk geval alvast ‘niet gunstig’. Het evidente maatschappelijke en door onderwijs en allerlei instellingen ondersteunde prestige dat poëzie genoot, is grotendeels verdwenen. Spinoy wijt dit aan de grote transformaties die de materiële onderbouw, de infra-structuur, van poëzie de afgelopen decennia heeft ondergaan. De uitgeverijsector moet zich ingrijpend aanpassen; je kunt gewagen van een ‘verdamping van de literaire kritiek’; de nieuwe media zijn het boek – en zeker de dichtbundel en het literair tijdschrift – volop aan het verdringen. ‘De nakende verdwijning of op zijn minst de complete marginalisering van de poëzie valt niet uit te sluiten.’ Van alle ‘elitaire’ uitingen, trouwens.

Een andere rode draad is het in de essaytitel gesuggereerde verband tussen de heidense Azteken en het katholieke asteken, dat op Aswoensdag wordt uitgedeeld. Het asteken gebruikt Spinoy als metafoor voor de consensus waardoor de dichter zich laat impregneren. Elk produceren is reproduceren. We zeggen in grote mate wat ons is voorgezegd. In grote mate: de marge die beschikbaar is voor afwijking en vernieuwing is smal; transgressie wordt op onbegrip onthaald. Net zoals het asteken van de ons omgevende context (cultuur) ons nooit volledig vermag te impregneren, zo is in Mexico Stad de recent opgegraven Templo Mayor van de Azteken een nimmer volledig te recupereren doorboring van de huidige gonzende en zich in alle richtingen uitzaaiende grootstad. Het asteken is het stempel van de tijd; de Azteken onderhielden een cultus van de drift die zich aan de tijd onttrok. Zoiets. Ik vond het moeilijk om te begrijpen wat Spinoy met zijn uitgesponnen metafoor precies bedoelt.

Wat brengt dit vijfde Gedichtendagessay teweeg? Helpt het de poëzie uit de marge te halen? Draagt het bij tot een versteviging van de bestaande of tot een nieuwe consensus? De gevolgen zijn onvoorspelbaar. Zelfs of er gevolgen zullen zijn, is onzeker. Spinoy vermeldt de notie ‘disseminatie’ van Derrida: ‘je brengt iets in omloop, maar wat er daarna gebeurt, schiet soms de meest onverwachte richtingen uit’.

De in de titel neergeslagen vergelijking As/zteken mag – doordat ze enkel op een klankverwantschap is gebaseerd – vergezocht zijn, maar dat is de vrijheid van de dichter. Het helpt als je weet dat een van de boeken van een van Jacques Derrida’s collega’s in het contextdenken, Roland Barthes, S/Z heet.


Deze recensie verscheen eerder dit jaar in Poëziekrant.

geen verloren tijd 40

I, 308-322


Door zijn liefde voor Odette relativeert Swann het decorum van zijn eigen milieu. Het doet er voor hem niet meer zo toe daarin geacht te worden; hij kan er nu belangeloos genieten van de privileges, ongeveer zoals hij kan genieten van een boek of een schilderij. Het is een gebied van hemzelf dat niet is beschadigd door zijn liefde, en door het verdriet dat met die liefde gepaard gaat. Wanneer dat beperkte, onbeschadigde en klasse-eigen gebied wordt aangesproken, komt ‘Swann junior’ weer tot leven en moet ‘Charles Swann’ wijken. ‘Swann junior’ geniet echt als hij in zijn kringen wordt opgeroepen om, bijvoorbeeld, een huwelijk bij te wonen – en zo komt het dat hij aanwezig is op het huwelijk van Marcels ouders. In zijn eigen kringen kan hij weer l’homme exquis par excellence (311:5) zijn – en dat zint hem wel.

Het wordt steeds moeilijker om Odette te zien te krijgen. Het lukt op den duur maar door listen te verzinnen, en een beroep te doen op de bemiddeling van bijvoorbeeld Marcels oudoom Adolphe, die door Odette aanbeden wordt: Vous, en qui elle a tant de confiance, ne pourriez-vous lui dire quelques mots pour moi, lui assurer qu’elle s’exagère le tort qu’un salut de moi lui cause? (312:18-20)

Oom Adolphe raadt Swann aan Odette een beetje gaar te laten sudderen, haar verlangen om hem te zien kan er alleen maar groter op worden. En hij raadt Odette aan Swann zoveel mogelijk bij haar uit te nodigen. Odettes antwoord op deze taktieken is nogal drastisch: ze beschuldigt Adolphe er bij Swann van haar te hebben aangerand: mon oncle était pareil à tous les hommes: il venait d’essayer de la prendre de force (312:25-27). Swann kan niet anders dan breken met Adolphe. Dat is jammer want hij had gehoopt om van hem informatie in te winnen over Odettes losbandige leven in Nice en Baden – ze zou er zelfs une sorte de notoriété galante (313:6) hebben genoten. Swann maakt zichzelf wijs dat deze kwalijke reputatie slechts in hoofde van kwaadsprekers bestaat, zij doet geen afbreuk aan het beeld van Odette dat hij koestert. Dat gekoesterde beeld wordt versterkt door haar aanblik, wanneer zij eens verstrooid voor zich uit zit te kijken en zij lijkt te zijn bevangen door quelque bon sentiment comme il en existe dans toutes les créatures (314:13-14). Met deze indrukken – en met weglating van alle mogelijke negatieve, die hij niet ziet of niet wil zien – bouwt Swann de ideale Odette pour laquelle il fit plus tard (…) des sacrifices que l’autre Odette n’eût pas obtenus (314:27-29). En die autre Odette is dan de werkelijke Odette welteverstaan. Waarop dat plus tard slaat, dat staat tussen de haakjes: comme on le verra dans la deuxième partie de cet ouvrage (314:27-28) – wat dan wellicht slaat op A l’ombre des jeunes filles en fleurs.

Swann wordt nog maar weinig de gelegenheid geboden een dergelijk ideaalbeeld samen te stellen: hij krijgt Odette nauwelijks nog te zien, en indien wel, dan enkel als zij zeker is dat zij zich niet in het bezoek van een andere aanbidder mag verheugen. Dan moet zij in laatste instantie weg, en Swann moet zijn vrienden laten natrekken in wiens attenties zij zich nu weer mag verlustigen. Als zij met M. de Charlus is uitgegaan, heeft hij niets te vrezen en is hij gerustgesteld. Maar tegelijk verontrust het hem want hij beseft qu’Odette devait le trouver bien ennuyeux pour que ce fussent là les plaisirs qu’elle préférait à sa compagnie (316:25-26).

Uiteraard heeft deze voortdurend herhaalde argwaan, dit steeds opnieuw aangehaald en afgestoten worden, een weerslag op Swanns gemoed. Het gebeurt al eens dat hij in bed de slaap probeert te vatten, maar in tranen uitbarst. Dan denkt hij lachend bij zichzelf: ‘C’est charmant, je deviens névropathe.’ (317:8-9) Maar dan realiseert hij zich dat de volgende dag het hele circus weer van voren af aan begint en dat het einde niet in zicht komt, en dan kan het al eens gebeuren dat hij door een intens doodsverlangen wordt overvallen. Niet dat hij dood wil om aan ‘de hevigheid van zijn leed’ te ontkomen, het is veeleer la monotonie de son effort (317:21-22) die hem te veel wordt.

Odettes houding ten aanzien van Swann is, hoe kan het anders, veranderd. Ze doet niet meer onderdanig of zenuwachtig, neen, ze is zelfverzekerd en hautain. Swann blijft het allemaal uitleggen als blijken van liefde: zij kan mij niet opleggen te veranderen, denkt hij, indien zij mij niet ook maar een klein beetje graag ziet. Ainsi trouvait-il dans ce reproche qu’elle lui faisait, comme une preuve d’intérêt, d’amour peut-être (320:32-34). Op den duur is Odettes houding ten aanzien van Swann niet anders dan ‘onverschillig, afwezig, prikkelbaar’ – maar Swann ziet het niet want de verandering heeft zich te geleidelijk voltrokken en hij zou er alleen iets van kunnen merken qu’en mettant en regard de ce qu’elle était aujourd’hui ce qu’elle avait été au début (321:24-26). Hij verdringt het gewoon, de peur de trop souffrir (321:31), en dat is ook de reden waarom hij in een wijde boog om le souvenir des jours heureux (322:3-4) heen fietst.

2882

Franse Alpen - 2008 (?)

dinsdag 29 mei 2012

reactie

ROEPING
(voor de Zusters van Liefde, te Weert)

Zuster Immaculata,
die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast,
in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord:
dat hij voor dit, of tegen dat is,
des middags het verkeer verspert,
ziet savonds reeds zijn smoel op de teevee.
Toch goed dat er een God is.


(in grote mate naar Gerard Reve)
gedicht als reactie op schrikkel 139c, aangeleverd door: 'Anoniem'

schrikkel 139c

Ik weet niet of het vreemd is maar telkens als ik nonnen zie – en dat wordt a rare event – denk ik allerminst aan datgene waarvoor zij toch horen te staan: geest. Of: Geest, zo u echt nog hecht aan die kapitaal. Ik zie: geen pinguïns zoals Wim Sonneveld in de Frater Venantius-sketch, maar strompelende en verschrompelende kenauen, grijze muizen die een leven lang hebben laten voorbijgaan zonder echt te leven, devote frustrées die pro forma hoofdschudden bij alle verlokkingen van de winkelstraat om dan ’s avonds, na een uitermate lange dag van steriele en vruchteloze gebeden zich onbevlekt maar knikkebollend te ruste te leggen, zich vermeiend bij de gedachte dat ze alweer een dag dichter bij de verlosser (Verlosser) zijn. Ja, uit zo’n leven zou ik ook verlost willen worden.

schrikkel 139b

Dat de plaatselijke kapper – in De Panne oap – een etalage heeft waar de zonbeschenen straatklinkers zich in de ruit weerspiegelen, hoeft geen nieuws te zijn. En dat in die etalage een postuurke staat voorstellende …een kapper met zijn klant, al evenmin. Maar ’t is toch opmerkelijk dat de gerepresenteerde gekapte, net als de gerepresenteerde kapper, helemaal in het wit gekleed is en zelfs witte schoenen draagt en bovendien een vuistdik boek met goud-op-snee aan het lezen is terwijl hij in bedwang wordt gehouden met wat wellicht een haardroger is, maar het zou evengoed een pistool kunnen zijn, een pistool dat, net als de snede van het boek en de veters van de schoenen en de biesjes op de jas van de kapper ook van goud is. Ja, dat is beslist opmerkelijk.

overschrijven 158

Het loze zwemmertje

Daar zat laatst een meisje loos te lezen in een boek.
Ze kreeg honger en nog voor de tweede rommel
veranderde het boek in een koek.
Toen wilde ze zichzelf straffen of twee metalen
kokers haaks aan elkander lassen en floeperdefloep
de koek werd een hoek.
Uiteindelijk vond ze zichzelf monokinetisch pootje
bungelend op de rand van een subtropisch golfslagbad.
Dat was een ramp want overal waren mensen met ogen
en die ogen konden zien (kijken zelfs) en zij had al joekels
in wording en niets anders dan warm water en schaamte
om haar onherbergzame lozemeisjeslijf.
Ze liet zich zakken naar de bodem van het bad om zich
te verschuilen in een tukje en bij het ontwaken vond ze wat
ze nooit verwacht had daar te vinden: een bovenstukje.
Dat wonderwel matchte met haar broekje bovendien.


Philip Hoorne (1964)
uit: Het is fijn om van pluche te zijn (2012)

met dank aan Laurens Jz. Coster

2881

Franse Alpen, La-Roche-de-Rame - 2008 (?)

maandag 28 mei 2012

2880

Brugge, Zand - 120326

2879

Gent-Sint-Pieters - 120326

zaterdag 26 mei 2012

schrikkel 139a

Een van de bekendste Man Bijt Hond-filmpjes is die van die kerel die met zijn auto een wel heel erg smalle garage binnenrijdt. Daar kan hij pas na het uitvoeren van een hele reeks verschuivingen, tot in het aanpalende salon toe, uitstappen. Deze, in de Filips de Goedelaan, moet nauwelijks onderdoen. Misschien is er wel wat meer ruimte aan weerszijden, maar toch vergt ook hier de geringe poortbreedte enige stuurmanskunst.

2878

Donk - 120324

vrijdag 25 mei 2012

schrikkel 138c

Wij beschouwen huisdieren als wezens die vooral met ons een relatie opbouwen en vaak doen ze dat ook – maar dan enkel en alleen omdat ze weinig of geen contact hebben met soortgenoten. Omdat ze au fond bijzonder eenzaam zijn, eigenlijk. Ze zien ons als substituten voor hun afwezige makkers en benaderen ons in zeer hoge mate met opportunistische bedoelingen – waarbij natuurlijk beide woorden, ‘opportunistisch’ en ‘bedoelingen’, tussen aanhalingstekens dienen te worden gedacht want dieren kunnen geen bedoelingen hebben, en het toedichten van opportunisme is natuurlijk geheel en al een kwestie van projectie. De gevoelens die wij bij die ‘opportunistische bedoelingen’ ontwikkelen, zijn bijgevolg in grote mate een vorm van zelfbegoocheling. Daar is op zich niets mis mee, het kan van veel wat wij zinvol vinden worden gezegd.
Af en toe komt hun ware aard toch boven. Dan laten ze, al dan niet met hun gebreide jasje aan,  alle beschaving varen en rukken ze aan hun leibanden, vliegen ze tegen het gaas op, huilen ze de sterren van de hemel of loeien ze naar hun vriendinnen op het weiland aan de andere kant van de weg.

geen verloren tijd 39

I, 297-308

Hoewel Odette liever niet met hem in het openbaar verschijnt, gebeurt het toch een enkele keer dat zowel zij als Swann op hetzelfde feest zijn uitgenodigd. Dan verlaat Swann voortijdig het evenement, en wanneer hij eenzaam naar bed gaat, valt het hem zwaar zich voor te stellen hoe Odette zich amuseert met de mannelijke belangstelling die haar te beurt valt. Als ze haar maar niet meenemen naar een gekostumeerd bal want de gedachte aan de wellust die zij haar daar zouden verschaffen maakt Swann nog jaloerser dan indien hij zou weten dat Odette met een van die mannen l’union charnelle (297:36) zou hebben – want van die wellust kan hij zich, in tegenstelling tot de ‘geslachtsgemeenschap’, géén voorstelling maken. Jaloezie wordt aangewakkerd door het onvermogen zich voor te stellen waarop men precies jaloers zou kunnen zijn. Het is, voegt de verteller er aan toe, zoals enkele jaren later met de jonge Marcel die in Combray naar bed wordt gestuurd terwijl Swann beneden aan tafel zit: comme je devais l’être moi-même quelques années plus tard les soirs où il viendrait dîner à la maison, à Combray (297:21-23).

Swann is dan ook des te verbouwereerder wanneer Odette dan toch naast hem staat en vraagt door hem naar huis te worden gebracht: hij heeft zich om niets zorgen gemaakt. En wanneer zij Forcheville laat weten dat diens aanwezigheid daarbij niet gewenst is, dan kan Swann al helemaal zijn vreugde niet op! Dan worden alle zorgen die hij zich over haar gemaakt heeft weggevaagd door de voorafspiegeling van vleselijke lusten en ziet hij enkel nog haar corps charmant (298:40). Zou het dan toch kunnen dat zij geen dubbel leven leidt? En dan kan Swann alleen maar verlangen naar een in alle eenvoud en vrede gedeeld leven met haar waarin de eenvoudigste dingen en handelingen une sorte de douceur surabondante et de densité mystérieuse (299:37-38) zouden krijgen. Hoewel, onmiddellijk na dit visioen beseft hij, beseft hij maar al te goed, dat Odette hem in zo’n toestand van rust, wanneer hij zou genezen zijn van zijn onstilbare verlangen naar haar en zijn verliefdheid, niet langer zou interesseren: ze is te banaal, ce que pourrait faire Odette lui serait indifférent (300:11-12). En Swann beseft, hij beseft maar al te goed dat, indien hij een dergelijke genezing zou ondergaan, hij zou ophouden te bestaan want hij ís op dit ogenblik die verliefdheid: il redoutait à l’égal de la mort une telle guérison, qui eût été en effet la mort de tout ce qu’il était actuellement (300:13-15).

Swann wordt heen en weer geslingerd tussen verliefdheid en jaloezie – en geen van beide gevoelens wil hij bewaarheid zien. Van de weeromstuit begint hij Odette te haten. Hij wacht op een aanleiding om zijn woede op haar te koelen. Die aanleiding komt er wanneer zij ingaat op zijn aanbod om naar Bayreuth te gaan en daar een kasteeltje af te huren: dan kan ze er Forcheville en de Verdurins uitnodigen en het spreekt dan vanzelf dat er voor Swann zelf, die alles betaalt, geen plaats kan zijn. Hij denkt er niet aan dat uitje van haar te bekostigen!, schrijft hij haar. Maar Swanns woede slaat al vlug weer over in zijn tegendeel en hij maakt zich zorgen over het feit dat hij door zijn boze brief in haar achting is gedaald.

En wanneer na deze heel oscillatie Swann weer bij zijn verliefdheid is uitgekomen, kan hij vrede nemen met een ingebeelde kus en een ingebeelde betoverende en lieve blik; hij is in elk geval even tevreden met die ingebeelde blik que si elle (Odette) venait de l’avoir réellement et si ce n’eût pas été seulement son imagination qui venait de le peindre pour donner satisfaction à son désir (303:5-7).

Swann beseft dat hij de redenen die hij heeft om wrokkig tegen Odette te zijn enkel kan doen gelden omdat hij haar zo graag ziet. Dezelfde redenen zouden ten aanzien van andere vrouwen, die hij ooit graag gezien heeft maar nu niet meer, niet volstaan.

Swann probeert een neutraal standpunt in te nemen en de zaak te overdenken. Misschien zou het toch beter zijn Odette met Forcheville naar Bayreuth te laten gaan: het zou zijn positie alleen maar verstevigen als Odette eens de gastvrouw zou kunnen spelen, wat ze zo graag wil. Dan kan hij zijn vertrouwen in haar demonstreren ten aanzien van Forcheville, wiens positie in Bayreuth niet anders zou zijn dan op gelegenheden in Parijs waar Swann niet – en Odette wel – van de partij is. Bovendien zou Odette Swann dankbaar zijn als hij haar die reis toch zou betalen, en ze zou bij hem komen en vriendelijk zijn en hem met al haar charmes betoveren. En ze zou hem weer smaak doen krijgen in muziek. Elle était redevenue l’Odette charmante et bonne. Il avait des remords d’avoir été dur pour elle. (304:34-36)

Odette is, hoe oppervlakkig en banaal ook, natuurlijk niet van gisteren en zij doorziet dit ingewikkelde heen-en-weer in het gemoed van Swann. Zij weet dat zij hem gerust kan mishagen en hem les faveurs auxquelles il tenait le plus (305:1-2) ontzeggen, een beetje later windt ze hem toch weer rond haar vinger.

Swann is van de twee het ziekst. Hij is in die mate het slachtoffer van zijn verliefdheid, hij is er zo verslaafd aan, dat het nog maar de vraag is of het wel goed zou zijn hem ervan te verlossen. Zijn liefde is zo tot in alles, tot in zijn hele persoonlijkheid doorgedrongen, dat Swann niet meer te genezen valt: comme on dit en chirurgie, son amour n’était plus opérable (308:41-42).

Bladzijden lang put Proust zich uit voor de beschrijving van dit hypocriete spel van simuleren en elkaar testen en bedriegen en zichzelf voorliegen. De gedetailleerd geanalyseerde gemoedsbewegingen die hij ons hier voorschotelt, zijn nauwelijks nog te volgen. Het gaat om uiterst subtiele verschuivingen, voorafnames, berekeningen. Het gaat om de spiegeling van de spiegeling van een spiegeling. Je moet, als in het schaken, niet één zet voor blijven maar als het kan drie of vier of vijf. Ik voel bij mijn lectuur van deze oeverloze bladzijden mijn aandacht verslappen.

2877

Sijsele - 120324

donderdag 24 mei 2012

schrikkel 138b

Het is een oud zeer: vrouwen die in hun handtas allerlei zaken kwijtraken. Hun sleutelbos, een afzonderlijke sleutel, kleingeld, een bankkaart, een gsm die onbedaarlijk rinkelt en natuurlijk altijd zwijgt op het ogenblik dat hij eindelijk is gelokaliseerd. Wie vindt hier iets op? Welke uitvinder – het mag een man zijn – herdenkt het concept handtas tot iets wat werkelijk bruikbaar is, dit wil zeggen tot het iets wordt dat méér is dan een zak die mooier en uit edeler materialen is vervaardigd dan een plastic zak, want in de functionaliteit ligt het verschil alvast niet: in de eerste de beste warenhuiszak worden de aankopen evengoed te hooi en te gras door elkaar geklutst en is het at random grabbelen en graaien geblazen voor wie in dat kluwen snel – en het moet altijd snel – iets wil terugvinden.

schrikkel 138a

Het talrijke gebroed van een van de zwanenkoppels op het Stil Ende heeft veel bekijks bij sluikparkeerders en wandelaars, maar ook bij buurtbewoners die als onvervalste ornithologen dagelijks komen verifiëren of de zes kuikens er nog allemaal zijn en het goed stellen. Al menig gesprekje werd hierover gevoerd achter de draad rond het langwerpige vijverpark. En al menige foto werd gemaakt, met compacttoestelletjes maar ook met uit de kluiten gewassen, van een stevige telelens voorziene spiegelreflexcamera’s. De evoluties worden hier van in de vroege lente op de voet gevolgd: de nestbouw, het broeden en na het uitkomen de komische parade te land en te water. Moeder – of vader, dat is mij niet duidelijk – zondert zich de hele tijd van de vroegste opvoeding af in een uithoek van de vijver, terwijl de kinderloze troep het centrale gedeelte blijft bezetten. Tussen beide bewaakt de andere ouder het overgangsgebied. Deze zorgvuldige territoriale – en ongetwijfeld ook pedagogische – opdeling blijft enkele weken gehandhaafd, tot de jongen, die nu nog van niet beter weten en als blinde kiekens achter dat grote lijf dat zij voor ‘moeder’ (of ‘vader’?) houden, aanwaggelen en -zwemmen, niet meer in te tomen zijn en op zoek gaan naar vrienden in de rest van de vijverpopulatie. Het is plezierig om deze ontwikkelingen gade te slaan. Het brengt iets heel vriendelijks in mijn buurt – iets wat mensen elkaar niet meer te bieden hebben, is mijn misantrope zelf geneigd daar aan toe te voegen.

wolken 383

wolkencitaat uit: Julian Barnes, Metroland


383

En dan herinner ik me een bewolkte ochtend, zes jaar geleden. (156)

wolken 382

wolkencitaat uit: Julian Barnes, Niets te vrezen

382
Toen ik fictie begon te schrijven, legde ik me twee regels op: geen dromen en geen weer. Als lezer ergerde ik me al lang aan ‘veelbetekenende’ meteorologische omstandigheden, aan donderwolken, regenbogen, ver onweer, net zoals ‘veelbetekenende’ dromen, voorgevoelens, bezoekingen enzovoort me verveelden. (153)

2876

Sijsele - 280324

woensdag 23 mei 2012

schrikkel 137

Ik schoot wakker uit een nare droom – of wás dit een nare droom? Alle medepassagiers waren in een diepe slaap verzonken. Stel je dat eens voor, dacht ik, dat iedereen slaapt en blijft slapen en door alles heen slaapt. Stel je voor dat de hele wereld slaapt, dat je in het sprookje van de Schone Slaapster bent beland en het hele rijk slaapt en het is wachten tot die honderd jaar voorbij zijn en tot de betovering van het spinnewiel-van-de-tijd is uitgewerkt en de prins-op-het-witte-paard de slapende prinses, en met haar alle slapende onderdanen, komt wekken en van de slaap komt redden. En dat pas dan de sterfelijkheid weer haar slopende werk mag voortzetten. Stel dat je gedoemd bent om als enige wakende in een rijk van slapenden rond te dolen. Neen, ik sluit mijn ogen en dommel weer in en er is een soort van troostend vertrouwen – ik herhaal: een soort van troostend vertrouwen – dat mij sterkt en overtuigt dat straks niet iedereen zal blijken te slapen en dat de tijd opnieuw in gang zal blijken te zijn geschoten. Hoe onvoorstelbaar en verschrikkelijk: een wereld waarin de tijd is blijven stilstaan.

geen verloren tijd 38

I, 289-297

De Verdurin-kring levert voor Odette en Swann niet langer de gelegenheid om elkaar te zien, maar vormt nu een beletsel. Swann kan Odette niet beletten om, op uitnodiging van de Verdurins, naar tweederangsspektakels te gaan kijken die niet beantwoorden aan zijn hoge esthetische standaarden. Wanneer Odette door de Verdurins is gevraagd om mee te gaan à l’Opéra-Comique voir Une Nuit de Cléopâtre (289:30-31), leest Swann al in Odettes ogen haar vrees dat hij haar zal vragen om niet mee te gaan. Maar hij kan niet kwaad zijn, overweegt hij, als hij ziet hoeveel plezier ze aan dat minderwaardige toneel beleeft. Blijkbaar heeft hij haar niet kunnen omturnen tot een cultuurmens met voldoende smaak om te begrijpen dat Victor Massé een minderwaardig dramaturg is. Als zij aan dat plezier niet verzaakt, lijkt ze in zijn ogen minderwaardig, dan is ze niet meer dan un poisson sans mémoire et sans réflexion qui, tant qu’il vivra dans son aquarium, se heurtera cent fois par jour contre le vitrage qu’il continuera à prendre pour de l’eau (290:32-35).

Odette houdt geen rekening met de inhoud van Swanns betoog, dat veel gewrongener is dan hier weergegeven (– zodanig gewrongen dat ik het nauwelijks kan ontwarren). Het enige wat haar interesseert is dat het feit dat hij inzit met haar esthetische voorkeuren, bewijst dat hij nog steeds verliefd is op haar.

Bij een andere gelegenheid zegt hij haar dat als er iets was, meer dan wat anders ook, dat zou maken dat hij haar niet meer graag zou zien, dat dat dan zou zijn qu’elle ne voulût pas renoncer à mentir (291:20-21).

Ondertussen is Odette fysiek minder fraai geworden – maar ook dat verhindert niet dat Swann verliefd op haar blijft. Zelfs integendeel!

Sommige uitstapjes van de Verdurins duren meerdere dagen: dan gaan ze architecturale bezienswaardigheden bekijken in Beauvais, of in Pierrefonds. (Proust neemt even de gelegenheid te baat om zijn afkeer uit te spreken over de door Viollet-le-Duc geleide restauraties van middeleeuwse gebouwen.) En dan moet Swann heel erg vechten tegen de verleiding om de trein te nemen en als het ware toevallig op die plaatsen op te duiken. Als dekmantel gebruikt hij de marquis de Forestelle, die hem moet vergezellen en het voor Odette moet verhullen dat hij daar enkel en alleen is om haar te ontmoeten. De markies is zeer verwonderd dat Swann voor het eerst in vijftien jaar nog eens iets van zich laat horen. Maar op het laatste moment verandert Swann toch van gedacht: hij en de markies zullen dan toch niet samen naar Pierrefonds gaan. Odette zou hem een geënsceneerde toevallige ontmoeting zwaar aanrekenen met een vermindering van haar liefde voor hem. En dan neemt Swann er vrede mee haar thuiskomst tot laat in de nacht te verbeiden, niet wetende dat ze al in de namiddag is thuisgekomen en er eenvoudigweg niet aan heeft gedacht hem daarvan op de hoogte te brengen: elle n’avait même pas pensé à lui (295:30). En uitgerekend die onachtzaamheid bindt hem nog meer aan haar que toute sa coquetterie (295:33).

Swann brengt hele dagen in liefdesleed door. Het is voor hem niet zoals voor de kleine Marcel vele jaren later in Combray, die dan tenminste overdag nog gelukkig is alvorens ’s avonds door zijn niet naar boven komende moeder zoveel verdriet te worden aangedaan. Swann denkt voortdurend aan Odette en zwelgt in zijn jaloezie. Soms kan ze liegen, zonder dat hij dat wil inzien, en dan is al wie hem op haar leugens wijst in zijn ogen ongeloofwaardig. Maar als hij overtuigd is dat ze de waarheid niet spreekt, is het voor haar volstrekt onmogelijk om hem van het tegendeel te bewijzen, ook al spreekt ze voor een keer wel de waarheid.

Swann is zo jaloers dat elke naam die zij noemt in zijn geest voor een minnaar staat. Een keer heeft hij zelfs une agence de renseignements (297:8-9) ingeschakeld, maar daardoor kwam hij enkel aan de weet dat een in zijn ogen verdachte, door Odette genoemde persoon, in werkelijkheid un oncle d’Odette mort depuis vingt ans (297:12) was.

Alles wat Swann doet en laat staat in het teken van Odette. Zo frequenteert hij een bepaald restaurant niet omwille van de keuken maar omdat het dezelfde naam draagt als de straat waar Odette woont: dat is une de ces raisons, à la fois mystiques et saugrenues (‘dwaas’) qu’on appelle romanesques (296:18-19).