dinsdag 16 juni 2026

vorig jaar 391

15 juni 2025

Een groot deel van de voormiddag, die, zoals gebruikelijk, al om zes uur begint, gaat op aan het schrijven van twee boekverhalen: Stephen Hero en Kroniek van een aangekondigde dood. En aan lectuur: Trofee van Gaea Schoeters. Goed geschreven, maar klinisch en, jawel, zeer mannelijk. Een kritiek, zelfs een aanval op mannelijkheid. Niet expliciet maar door middel van de stijl.

*

Afspraak om twaalf uur aan het station met een aantal mensen van Groen Brugge. (…) We blijven samen op de trein en dan ook nog een eind op de aanvangsstrook van de betoging, maar uiteindelijk valt onze groep toch uit elkaar. De betoging is een groot succes. Er wordt een ‘rode lijn’ getrokken tegen het genocidaire geweld van Israël in Gaza. Daarom werd iedereen gevraagd iets roods aan te trekken. De kilometerslange stoet – 75.000 (politie) tot 110.000 (organisatie) manifestanten – kleurt dan ook rood. Eerst zijn er de toespraken – vooral die van twee vertegenwoordigsters van een joodse organisatie maakt indruk – en enkele korte optredens (Tamino, Koen Wauters en Zwangere Guy), en dan zet de stoet zich in beweging. We doen er meer dan drie uur over om van het Noordstation langs de Botanique tot een heel eind op weg naar de Europese Wijk te komen. Daar (…) korten we af naar het Centraal Station. (…)

*

De avond gaat op aan het bekijken aan Eddy Merckx-gerelateerde programma’s. De Kannibaal wordt dezer dagen tachtig, vandaar. Eerst een gesprek door Karl Vannieuwkerke met Eddy, zoon Axel en José De Cauwer. Daarna de film Merckx. De sterkste renner aller tijden, met mooi, onuitgegeven beeldmateriaal over de carrière die iedereen ondertussen beter kent dan zijn vaderlandse geschiedenis.


16 juni 2025

In de stadsbibliotheek vind ik de film The Apprentice en een boek van Mark Dugain. M raadde me Officierskamer aan, maar dat hebben ze niet. Wel Gelukkig als God in Frankrijk. Ik vraag naar de persoon die over de aankoop van fictie gaat, met het oog op de aankoop van enkele exemplaren van Vaderader. Ze is er niet. Thuis schrijf ik haar een mail.

*

(…)

*

Ik beantwoord de laatste brief van A, die al een paar dagen in mijn mailbox zat. Ook E heeft geschreven: ze geeft toe dat ze heel lang niet aan schrijven is toegekomen, maar ze wil onze correspondentie niet stopzetten. (…) Ik zeg dat ze alle tijd moet nemen. Dat ik gespecialiseerd ben in geduldig zijn. (…).


7957

Omgeving Meetkerke - 260514


maandag 15 juni 2026

facebookbericht 1227

Al zoveel voorbeschouwingen dat ik al bijna geen zin meer heb om te kijken.

vorig jaar 390

13 juni 2025

Allez hop, nog een oorlog erbij. Nu heeft Israël ook Iran aangevallen. Bombardementen op nucleaire installaties. Topfiguren uit het leger en de wetenschap zijn gedood. Maar ook burgers en kinderen, haasten de Iraniërs zich te zeggen. De onvermijdelijke burgers en kinderen. De Iraniërs zullen het daar niet bij laten. Maar wat kunnen ze doen. Je zou het gaan hopen, dat Israël massaal wordt aangevallen. (Maar door wie?) Dat de Israëlische bevolking wordt gestraft, ook voor het feit dat 80 procent naar verluidt achter de genocide in Gaza, de kolonisatie van de Westbank en het fascisme van haar leiders blijft staan. De VS zegt van niets te weten. En wat gaat Rusland doen? Zal China van de commotie gebruikmaken om Taiwan aan te vallen? Staan we aan het begin van een wereldoorlog?

*

(…)


14 juni 2025

(…) De oorlog tussen Israël en Iran escaleert. (…)

*

Naar Gent. Ontbijt bij X. Ik voel me belabberd. X laat me foto’s zien van onze vorige uitstapjes. We maken een wandeling langs de appartementsgebouwen naast de Watersportbaan en in een sociale woonwijk aan de overkant. X vertelt me haar ingewikkelde persoonlijke geschiedenis. (…) Er zijn parallellen met mijn verhaal. Daarom noemt X ons behalve zielsverwanten ook lotgenoten. We gaan er nog verder op door bij Y. Het moment van volwassenwording is er wanneer je beseft dat je ouders ook personen zijn. Het kind ziet de ouder niet langer als ouder maar als een persoon met al zijn feilen. Maar ook de ouder moet op een gegeven moment in zijn kind de persoon zien. (…) Deze hele dag heeft me danig uitgeput. Thuis ben ik tot niet veel anders in staat dan meteen in bed kruipen.

*

(…)




7956

Omgeving Meetkerke - 260514


zondag 14 juni 2026

vorig jaar 389

10 juni 2025

(…)



11 juni 2025

(…)

*

In Pink Moon (Floor van der Meulen, 2022) speelt Johan Leysen een oude weduwnaar die besloten heeft om op zijn vijfenzeventigste verjaardag een eind aan zijn leven te maken. Hoe gaan zijn dochter en zoon daarmee om? Een wat geforceerd uitgangspunt, maar scenario en tempo houden het geheel mooi overeind – al laat het slot van deze film me toch onbevredigd achter: hoe waarschijnlijk is het dat een oude man ongehinderd een met een portie met honing aangezoete kwark vermengde giftige dosis inneemt terwijl zijn dochter daar passief op toekijkt?


12 juni 2025

Goed begonnen, dat In open veld van Josse de Pauw, maar het rafelt uit in slordig geschreven fragmenten waarin het in een pedante toonzetting gaat over artistieke prestaties. En waarom die ons-kent-ons neiging om de collega’s bijnamen te geven: ‘Het Monument’, ‘Hoed’, ‘De Duitser’…? De indruk van zelfingenomenheid die stilaan begon te overheersen telkens Pauw in mijn blikveld opdook, wordt er alleen maar door versterkt. De man heeft zijn naam niet gestolen. En ja, de onprettige herinnering aan de enige ontmoeting die ik ooit met hem had, die keer met X in Le Coq, komt natuurlijk ook binnendrijven (…) – ik weet echt niet meer wanneer dat was, wellicht ergens halfweg de jaren negentig. (…) Eenzaamheid moet X’s lot zijn geweest – een wreed lot voor iemand die behalve in zijn atelier nooit alleen kon zijn, en die altijd de bevestiging van anderen nodig had om te kunnen bestaan. (Maar hij bracht wel veel tijd door in zijn atelier, dat moet gezegd.)

*

Op de trein naar Roeselare oap vat ik Trofee van Gaea Schoeters aan, daartoe aangezet door haar zeer welbespraakte aantreden vorige zondag op de radio. Ik was al eens aan dat boek begonnen, maar had het terzijde gelegd – ik ben niet bepaald geïnteresseerd in het jagen op groot wild in Afrika. Maar als een schrijver er zoveel erkenning mee oogst, dan moet het toch wel een ruimere reikwijdte hebben.

*

(…) In Nukerke make we een wandeling rond en in het Koppenbergbos. (…) Lunch in het restaurantje ‘Den os’. We proberen de tapa’s ‘Schelleken van den os’, ‘Bastilla met kip’ en ‘Griekse bourek’. Buiten op het terras, onder een luifel. Het wordt erg warm vandaag, meer dan 30°. Ik drink twee ‘Gentse stropkes’, waardoor ik wat later, terwijl Y (…), languit op een bank lig te snurken. (…) In Ronse, waar Y (…), bezoek ik de plaatselijke kringloopwinkel. Het boekenaanbod stelt er weinig voor. De boeken worden er dan ook per gewicht verkocht. Voor een omnibus met vier romans van Graham Greene en 1933 van Philip Metcalfe (een pocketuitgave) betaal ik 1,95 euro. Daar heb ik in restaurant ‘Den os’ ongeveer een derde van een ‘Gents stropke’ voor. We drinken nog iets in ‘De harmonie’ op de Grote Markt, waar de kermis opgesteld staat. Er is, onder meer, een kraam ‘Back to the future’, en een dat 'Le palais magique' heet. Zoveel jaar geleden waren we ook al eens in ‘De harmonie’. (…)




7955

Brussel-Centraal - 260512


zaterdag 13 juni 2026

LVO 359

fragment uit Het maaiveld


Ik gaf mijn mandaat als klasverantwoordelijke af aan Eric Colenbier, die in zijn eentje een maar matig door Bert en mij gesmaakte antitabakscampagne zou opzetten, en trad ook terug als hoofdredacteur van Boemerang. Ze mochten voortaan hun stencils zelf draaien en de fouten met behulp van nagellak zelf corrigeren. Ik besloot niets meer te doen, behalve mijn best om er zonder kleerscheuren door te geraken – en dat bleek al moeilijk genoeg. Door de nieuwe situatie op school kostte het me moeite om mezelf te motiveren – de enige motivatie was eigenlijk een negatieve: hier zo snel mogelijk uit weg geraken. Bovendien zal ook wel de onrust thuis geen al te gunstig effect hebben gehad op mijn schoolse prestaties. Over de op stapel staande scheiding van mijn ouders, overigens, had de directeur met geen woord gerept. Hij was vermoedelijk niet eens op de hoogte van de omstandigheden waarin ik dit laatste jaar op de middelbare school had vol te maken. Pas later zou het tot mij doordringen hoe abnormaal dit was, zelfs in die tijd, hoezeer het mij zou hebben geholpen als ik dan toch minstens op school met de beste zorgen zou worden omringd. Maar neen, in plaats daarvan werden ook daar kilte en gebrek aan geborgenheid georganiseerd. Want dat was wat er gebeurde: dat laatste jaar, van september 1978 tot juni 1979, bleek uiteindelijk niet veel meer dan een sombere wachttijd waarin niets noemenswaardigs meer gebeurde, waarin onze groep was uiteengevallen in een verzameling ontmoedigde individuen die allemaal naar een toekomst verlangden die niet anders dan beter kon zijn. Ook het feit dat mijn vriendschap met Bert was gestrand in een koppig aangehouden afstandelijkheid vrolijkte de boel niet op.

Hoewel, er gebeurde wel nog iets. Helemaal op het eind, vlak voor de laatste examens... Ik kom er nog op terug...

7954

Sint-Andries, kanaal naar Oostende - 260510


vrijdag 12 juni 2026

LVO 358

fragment uit Het maaiveld


Eerwaarde Heer Pina beheerste zeer goed de alchemie waarmee – wonderlijke transsubstantiatie – distantie in gezag wordt omgezet. Hij deed dat met een air van vertrouwenwekkende en dus, paradoxaal genoeg, afstand-tenietdoende vriendelijkheid. Hij zette je, met andere woorden, op het verkeerde been.

‘Ga zitten. Wat scheelt er?’

Er moest iets schelen, anders kwam je hier niet. Bovendien zal ik er wel ontdaan hebben uitgezien, ontdaan genoeg om daaruit af te leiden dat er zeker iets moest schelen.

Ik legde de directeur uit wat er was gebeurd. Minder omstandig dan ik het hierboven nog eens heb overgedaan, bijna veertig jaar later, maar toch beeldend en duidelijk genoeg om Pina aan zijn verstand te brengen dat wat meneer Tant ons aandeed volgens mij echt niet door de beugel kon. Het wonder geschiedde:

‘Ge hebt gelijk. Ik zal eens met meneer Tant spreken. Het is goed dat ge mij dat zijt komen zeggen. Ga nu maar terug naar uw klas.’

Dat deed ik. Met een triomfantelijk gevoel, ik zal het niet ontkennen. Ik had het aangedurfd om tegen de gevreesde wiskundeleraar in te gaan; ik had ten overstaan van mijn klasgenoten het woord genomen en had hen gevraagd om solidair te zijn, een verzoek waarop zij niet waren ingegaan; ik was voor rechtvaardigheid opgekomen, in mijn eigen belang maar ook in dat van hen want zij voetbalden tijdens de speeltijd ook liever dan dat zij hun schoolagenda invulden; en ik was naar de directeur gestapt die al even ontoegankelijk leek als de nimmer geïdentificeerde bewoner van Franz Kafka’s kasteel in het boek dat ik toen wel nog niet gelezen had, maar goed. En ik had van de directeur gelijk gekregen: Tant zou een reprimande krijgen en het zou gedaan zijn met beknibbelen op onze vrije tijd.

De eerste les na de speeltijd was natuurlijk al begonnen. Ik herinner me niet meer welk vak het was. De leraar vroeg niet waarom ik te laat was. Enkele van mijn medeleerlingen keken om toen ik binnenkwam, maar niemand vroeg iets. De les ging gewoon door alsof er niets aan de hand was. En tegen het einde van dat lesuur was het momentum voorbij. Ik kon nog wel mijn verhaal doen, maar het leek al veel minder spectaculair dan het in mijn eigen ogen was geweest.

Een week later werd ik bij de directeur geroepen. Ik kende nu de weg en wist hoe hard ik op zijn deur moest kloppen – dat scheelde dus. Maar wat ik te horen kreeg was ontnuchterend.

‘Het is u geraden strikt uit te voeren wat u wordt opgedragen. Ik zal geen nieuwe klachten meer dulden. Indien er zich nog dergelijke incidenten voordoen, zullen wij moeten overwegen welke sanctie wij moeten treffen.’ Ingerukt.

En toen ik de eerstvolgende keer in de wiskundeles zat, proefde ik wat ik eerder ook al bij Dehaene, Lemmens en Lycke had geroken: de smaak van het leedvermaak, het aura van de overwinning. Het was duidelijk: het laatste schooljaar was nog maar net begonnen en mijn rol daarin, die ik mij zo groots en belangwekkend had voorgesteld, was al uitgespeeld. En niemand van mijn klasgenoten leek er een ander idee op na te houden. Ook Bert maakte een uitgebluste indruk.

7953

Sint-Andries, kanaal Brugge-Oostende - 260510


donderdag 11 juni 2026

LVO 357

fragment uit Het maaiveld


Daniël Tant had, behalve de onhebbelijkheid Daniël Tant te zijn, nog een onhebbelijkheid: hij trok zich niets aan van de bel die na vijftig minuten het eindpunt van zijn lesuur aangaf. Wij waren erg gesteld op de speeltijd, ook al duurde die maar een kwartiertje, en repten ons telkens naar de speelplaats om ons geliefde voetbalspel te kunnen aanvatten. Als de wiskundeles niet door de speeltijd maar door een andere les werd gevolgd, trokken wij ons niets van Tants getreuzel aan – al kwam het ons toch voor dat hij er dan minder aan toegaf. Neen, wij begonnen na een week of twee door te hebben dat hij zijn les vooral en eigenlijk zelfs uitsluitend liet uitlopen wanneer wij zaten te popelen om naar de speelplaats te hollen. Wanneer het belsignaal weerklonk, verzocht hij ons nog om onze schoolagenda op te diepen en daarin het hele programma voor de volgende week te noteren, en ook nog eens de dag en het uur waarop we ons aan een toets konden verwachten, enzovoort. Voor we er erg in hadden, waren er alweer vijf minuten voorbij en zouden er ons hooguit nog vijf resten om ons op die plastic bal af te reageren.

Toen Tant die pesterij – want dat leek het toch te zijn – een keer of drie had herhaald, kon ik het niet langer aanzien en sprong ik op. Ik wachtte niet af tot het woord mij zou worden verleend en sprak: ‘Meneer, wij willen naar de speelplaats. U neemt ons onze speeltijd af.’ Mocht ik op voorhand hebben geweten hoe Daniël Tant hierop zou reageren, ik zou dit niet hebben aangedurfd. Maar ik vond de manier waarop hij ons behandelde onrechtvaardig en was van oordeel dat, na zijn recidive, mijn roep om datgene waarop wij recht hadden meer dan op zijn plaats was.

Daniël Tant – die nota bene later dat jaar Jan Houtman zou aanwrijven dat zijn, Tants dus, papegaai na enige dressuur minder moeite had om een bewijs op te dreunen – was het niet gewend te worden tegengesproken. Hij marcheerde op mijn tafel af, veegde mijn notitiemap samen met mijn handboek en schoolagenda op de grond, en schopte als een wildeman tegen het meubel aan. Hij raakte daarbij met zijn scheenbeen de rand van het tafelblad – hij moet zich daarbij hebben bezeerd, dat kan niet anders. Hoewel ik mij, met een tafel tussen mijzelf en deze onverwachte agressor in, veilig wist, stond ik toch te trillen op mijn benen. Want ja, ik was inmiddels rechtgestaan, wellicht meer om een zelfverdedigende houding aan te nemen. En nu ik eenmaal overeind stond, leek het mij niet meer dan normaal het woord te richten tot mijn klasgenoten, die allemaal behoorlijk ontdaan dit onverwachte spektakel gadesloegen.(*)

Waar wachten jullie nog op? Laat ons allemaal weggaan. Straks is de speeltijd helemaal voorbij.’

Maar iedereen bleef zitten, als van het Lam Gods geslagen. Ook Bert, wat mij toch enigszins ontgoochelde want dat had ik van hem niet verwacht.

Ik ga naar de directeur,’ stotterde ik nog. ‘Wie gaat er mee?’

Niemand ging mee. Dus stapte ik daar alleen op af, ‘gedreven door pure woede, zoals die alleen ten gevolge van echte onrechtvaardigheid kan ontstaan’.(**) Ik vond dat nogal moedig van mezelf want de kamer van de directeur, daar kwam maar zelden een leerling. En al zeker niet op eigen initiatief. Je moest ervoor tot in de priesterresidentie, en daar dan weer een kale trap op, langs een paar stoffige yucca’s die al veel te lang geen water meer hadden gekregen, tot je bij een eikenhouten deur kwam, waar je natuurlijk eerst te zacht op aanklopte, om dan, wanneer je er al van overtuigd was dat de Pette (bijnaam om evidente redenen) er niet was en op het punt stond op je schreden terug te keren, toch nog eens, iets harder, te proberen en toen je al verzoend was dat je onverrichter zake naar de volgende les moest gaan, de eerste na de speeltijd, die inmiddels voorbij was, klonk er dan toch, van heel ver, waardoor je de indruk kreeg dat het kantoor van de directeur de afmetingen had van een sporthal, een stem die zei dat je mocht binnenkomen.


(*) Zoals alles al gebeurd is en niets anders dan een herhaling kan inhouden, zo is alles al beschreven, door anderen. Daar moest ik eens te meer aan denken toen ik volgende passage las, over een gelijkaardig incident met een overschrijding van de lestijd tot voorbij het belsignaal: ‘(…) wee degene die het door een duidelijk hoorbare zucht, een kuchje of gewoon maar door op zijn horloge te kijken waagde een overschrijding van het rooster te signaleren. De afstraffing volgde onmiddellijk (…)’ (Jean Rouaud, De wereld bij benadering in: De velden van eer, 257; vertaling Marianne Kaas)

(**) De vindplaats van dit citaat heb ik niet meer kunnen achterhalen.

7952

Ver-Assebroek - 260509


woensdag 10 juni 2026

LVO 356

fragment uit Het maaiveld


Ik had het over mijn onvermogen om iets van wiskunde te snappen. Behalve die ene keer dat ik een uitzicht op begrip leek te hebben gevonden. Niet één leraar evenwel die erin slaagde om iets van dat besef vast te houden of aan te wakkeren. Ook Tant slaagde daar niet in. Van sinussen gesproken, overigens: Tant sprak met een nasale stem, die een verstopping in zijn neus verried – orgaan dat hij om de haverklap met veel ruchtbaarheid snoot. Hij schraapte ook voortdurend zijn keel.

Daniël Tant was in een vorig leven beroepsmilitair geweest en hij droeg daar in zijn manier van doen nog altijd de sporen van. Hij bewoog zich houterig van de ene kant van het lokaal naar het andere, had een scanderende trant van spreken, zette op het bord in een onwrikbaar regelmatig handschrift de tekens van zijn geheimschrift in het gelid, blafte ons toe als was hij een onderofficier die op het exercitieveld zijn rekruten meer wil intimideren dan initiëren. Om maar te zeggen dat de man weinig medemenselijkheid en empathisch vermogen aan de dag legde. Hij was dan ook nauwelijks tot helemaal niet geliefd, maar daar trok hij zich niets van aan. Het voornaamste leek hem dat zijn gezag ongecontesteerd bleef. Daar hoefde hij alvast niet veel van de energie aan te besteden die hij bereid was om, in ruil voor zijn salaris als licentiaat, in zijn job te investeren. Tant verborg zijn kaalhoofdigheid door een lange sliert haar die aan de linkerflank van zijn hoofd ontsproot over zijn schedel tot aan de andere kant te draperen. Die enkele keer dat hij buiten zonder pet te zien was, en het daarenboven waaide, kon hij op een gevecht met deze weerbarstige lok worden betrapt – wat tot enige besmuikte hilariteit aanleiding gaf.

7951

Ver-Assebroek - 260509


dinsdag 9 juni 2026

vorig jaar 388

9 juni 2025

Schrijven: een notitie over Met de wind mee en brieven aan A, M en E. De tevredenheid die ik over dat schrijven voel maakt snel plaats voor de neerslachtigheid die is veroorzaakt door (…)

*

(…) wandeling met S (…) We hebben het over (…) en over Pierre Michon en Jonathan Littell. Zij vindt Les bienveillantes maar niets. (…)

*

Eten en kaartspel met F en G bij P. We hebben leuke gesprekken. Ik vang het dialectwoord ‘veiïg’ op; het wordt gebruikt voor bevochtigde uitgedroogde tabak. Ik herinner me dat H daar cognac voor gebruikte. Ook wordt er over houtsoorten gesproken. Als olm niet beweegt, verwerkt in bijvoorbeeld trap of stoel, komt er gegarandeerd worm in. Een vlek op beuk verdwijnt altijd vanzelf. Maar tegen water kan beuk absoluut niet. De slagersbanken en -planken zijn een tijd – op last van Europa – van plastic geweest, maar daar komt men nu van terug omdat dat nog veel schadelijker is. Jammer van al die beenhouwers die vroegtijdig zijn gestopt omdat ze die investeringen niet meer zagen zitten. We hebben het even over Dikke Maurice van De Spiegel. Zijn café was een jazztempel die tot in New York bekend was. Enkel in Brugge zelf besefte men dat niet. ‘Ik was de enige,’ zegt P fier, ‘die van Maurice de toestemming kreeg om aan zijn lp’s te komen.’ Maurice was zo zwaar dat zijn camionette scheef hing. Dat beeld herinner ik mij ook nog – dat moeten de vroege jaren tachtig zijn geweest. Maar G (79) en P (76) zijn net iets ouder dan ik, oud genoeg om de Gouden Tijd (1965-1975) van het Brugse uitgaansleven ten volle te hebben meegemaakt. Na één boompje is P te moe om nog langer gastheer te zijn. Daardoor ben ik op tijd thuis om nog het laatste kwartier te zien van België-Wales: 4-3, met een schitterende winning goal van Kevin De Bruyne, op een splijtende voorzet, zoals dat dan heet, vanop rechts door Joeri Tielemans.






7950

Ver-Assebroek - 260509


maandag 8 juni 2026

vorig jaar 387

8 juni 2025

Tijdens het koken luister ik naar Touché. Gaea Schoeters is zeer welbespraakt. Misschien moet ik dan toch maar eens dat bejubelde Trofee lezen, ik heb het hier toch staan.

*

Het samenzijn met A, C en W is zeer geslaagd. Het doet A zichtbaar plezier, en dat is ook de voornaamste reden waarom ik dit etentje heb belegd. Ze heeft de tekening mee die ze al eerder voor mij had voorbestemd. De gesprekken gaan, onder meer, over euthanasie, artificial intelligence, privacy, reizen, wat we nog wensen in dit leven en, uiteraard, het onvermijdelijke Gaza, dat A zich ten zeerste aantrekt. C had hapjes mee, A taart, en ik had zalm klaargemaakt. Wanneer mijn gasten om vier uur weggaan, voel ik me uitgeschud en verdrietig. Ik doe een ritje met de fiets, om toch eens buiten te zijn geweest. Bijna thuis kom ik R tegen (…). Ik kom nog verdrietiger thuis dan ik al was toen ik vertrok en kruip in bed. Tot A me enkele foto’s stuurt van ons samenzijn. Ik dank haar voor de tekening en de taart. Zij: ‘Dank je voor wie je bent.’ Ik zal haar missen. Ze zei dat ze euthanasie wil wanneer ze niet meer kan gaan. Ze kan bijna niet meer gaan.

*

(…)

*

In de vijfde aflevering van Met de wind mee is Wouter Deboot te gast in een orthodox klooster in Albanië. Of was het Noord-Macedonië? Peu importe. Ik denk dat het Albanië was. Hij filmt tersluiks een monnik die een jongeman aan het bepotelen is. Akelig. Wouter is zo verstandig daar verder geen commentaar bij te geven. Toch niet expliciet, maar even later doet hij het wel door ostentatief de deur van de slaapkamer die hem is toegewezen af te sluiten. ‘Je weet maar nooit.’ In dat klooster worden jongemannen van hun drugsverslaving afgeholpen. Als ze er misbruikt worden, en daar lijkt het dus wel op, dan lijkt me dat dubbel zo erg: ze belanden van de regen in den drop.


Wouter Deboot (foto: Joris Casaer)




7949

Brugge, Beenhouwersstraat - 260507

zondag 7 juni 2026

facebookbericht 1226

Ik ben het ten zeerste eens met wat, door een spelfout, in (het screenshot van) het artikel staat: dat een kerstmarkt niet in ons 'gedrag' (sic) moet komen. Ik ben met andere woorden een resoluut voorstander van het niet-organiseren van een kerstmarkt. 'Kerst' en 'markt' zijn twee tegengestelde begrippen. Het Bijbelhoofdstuk waarin Jezus de kooplieden uit de tempel jaagt, is mijn favoriete Bijbelpassage.

Maar als er dan toch per se een kerstmarkt moet zijn, dan is het goed dat er nu alvast wat grondiger wordt nagedacht over de invulling ervan. Dat is jouw (Eva Vanhoornes) verdienste en die van Groen Brugge - blijkbaar is onze 'burgervader' niet bereid dat te erkennen. Ik zie van zo'n erkenning toch geen sporen in dat screenshot.

De casus bewijst wel dat grondig documenteren, aandringen en op rechten staan loont.

vorig jaar 386

7 juni 2025

Omdat ik zoveel tijd in de lectuur ervan heb gestoken, besluit ik dat het toch de moeite waard is om een recensie te schrijven van Ooi en drom, zoals ik het boek van Anjet Daanje heb herdoopt. Waar ik aanvankelijk niet goed wist wat ik erover kwijt zou kunnen, kom ik nu toch uit op een notitie van plusminus twaalfhonderd woorden.

*

(…)

*

Een wandeling richting Smedenstraat. Uit de Oxfam sleep ik voor 20 euro vier boeken naar buiten: een roman van Meir Shalev (hoewel er hier nog een paar van hem al jaren ongelezen staan), Rovers van Jan Vanriet, een monografie over Paul de Wispelaere en In open veld van Josse de Pauw. In dat laatste boek begin ik meteen na thuiskomst te lezen en dat bevalt mij ten zeerste. Vlak bij de Oxfam woont P. Twee keer al nadat ik hem de laatste keer, op 28 maart, heb gezien, een periode waarin hij andermaal ten dode opgeschreven in het AZ en daarna in de Zwarte Zusters heeft verbleven, heb ik tevergeefs een poging ondernomen om hem te zien. De eerste keer stond ik aan het verkeerde ziekenhuis en de tweede keer werd ik, op weg naar het AZ, opgetrommeld door M om naar Springsteen te gaan. Maar nu is P wél thuis. Hij is niet alleen: ook N en J zijn aanwezig. GH verlaat net het pand. P, met de zuurstoftoevoer in zijn neus, heeft het even over GH, hoe onwezenlijk intelligent die man is en hoe onstuitbaar wanneer hij over een favoriet onderwerp begint te praten. En hij heeft véél favoriete onderwerpen. (…) Van Springsteen stuitert het gesprek via andere krasse podiumknarren – Jagger, McCartney en Dylan – tot bij… Herman van Veen. N heeft een herinnering aan ‘Het Land van Ooit’, waar Veen blijkbaar ferm zijn broek aan heeft gescheurd. Dat is de reden waarom hij op zijn tachtigste nog altijd moet optreden. ‘Hij is nog altijd heel stemvast,’ weet J, die hem samen met N onlangs in de Stadsschouwburg heeft zien optreden. Het gesprek kabbelt nog een tijdje rustig door. Ik informeer uiteraard naar P’s gezondheidstoestand. Ik vind dat hij er beter aan toe is dan de laatste keer dat ik hem zag. Hij beaamt dat, maar zegt wel dat hij drie ‘crisissen’ heeft moeten doorstaan: twee lichte en een zware. Hij vertelt over de zware. Die duurde wel twintig minuten. Het was als tegelijkertijd stikken en verdrinken. ‘Je moet je adem onder controle krijgen,’ vertelt P. ‘Niet gemakkelijk wanneer je in doodsangst verkeert. Je moet dubbel zo lang uitademen als inademen. Dat is al moeilijk als je niét in ademnood verkeert.’ Het gesprek neemt een luchtigere wending wanneer P over zijn ‘beeldschone’ huishoudhulp uit Curaçao bericht. Zij is, behalve beeldschoon, ook heel erg vriendelijk en ‘van alles voorzien’. Ik bespeur weemoed in zijn relaas. Tijdens dit bezoek, mijn portie sociale interactie voor vandaag (maar het is zeker genoeg), wordt er veel gelachen. Wanneer ik overeind kom en aanstalten maak om te vertrekken, zegt P dat ik ‘altijd welkom’ ben. Ik neem me voor gehoor te geven aan deze uitnodiging.

*

Twee afleveringen van Met de wind mee. Opnieuw kwaliteit. Dit is televisie op haar best. Wouter Deboot bericht vanuit Bosnië, Kosovo en Noord-Macedonië. In Skopje moet hij – meer dan terecht – lachen met de vele standbeelden die daar nog maar recent in een nationalistische kramp werden opgericht.





7948

Brugge, Bloedput - 260507


zaterdag 6 juni 2026

facebookbericht 1225

Iemand vindt dat de betoging van de Waalse studenten en leerkrachten te gewelddadig is verlopen 1. de kleine groep geweldplegers die geregeld betogingen verstoren maken doorgaans geen deel uit van de manifestanten
2. de overheid is blij met deze 'casseurs' omdat ze de tegen de overheid gerichte betogingen in een kwaad daglicht plaatsen; je kunt je op den duur zelfs afvragen waarom de politie niet op voorhand deze goed herkenbare (in het zwart gekleed, voorzien van maskers en helmen) casseurs in de gaten houdt en meteen, zodra het geweld begint, alleen tegen hen optreedt
3. het geweld van de politie staat vaak buiten alle proporties; behalve tegen de casseurs richt de robocop-politie zich ook (met matrak, traangas en waterkanon) tegen mensen die niets met dat geweld te maken hebben en die het ook niet goedkeuren
4. de snelheid en doortastendheid waarmee de overheid enerzijds de sociale zekerheid en de welvaartsstaat afbreekt en anderzijds miljarden investeert in wapentuig (dat overigens ook moet dienen om geweld te plegen) is ook een vorm van geweld
5. de snelheid en intensiteit waarmee het kapitalisme de planeet naar de knoppen helpt is een vorm van geweld die vele malen 'extremer' is dan dat van een paar honderd bordjes dragende en leuzen scanderende studenten

vorig jaar 385

5 juni 2025

(…)


6 juni 2025

(…)

*

(…) wandeling rond het Stil Ende. Ik zie dat twee koppels canadaganzen samen acht jongen hebben. En wat verder zie ik godbetert een mandarijneend zwemmen, een mannetje. Een paar jaar geleden heb ik er hier ook al eens een gezien. Het is misschien dezelfde.

*

Op de trap kom ik mijn meer dan tachtigjarige onderbuur G tegen, die net zijn deur opent. Ik bezweer hem dat hij zijn deur niet van binnenuit mag sluiten. Als hem iets zou overkomen, zouden de hulpdiensten het slot moeten openbreken. Hij had daar nog niet aan gedacht.

*

De voorbije dagen wordt mijn appartement overvallen door vliegen. Eerst fruitvliegjes, dan gewone huisvliegen, en nu van die glanzende groene. De huis- en groene vliegen zijn opvallend mak. Ik heb tientallen huisvliegen kunnen doodmeppen. De groene kan ik gemakkelijk door een geopend raam naar buiten drijven. Ik ben waarschijnlijk onzorgvuldig geweest met keukenafval; er moet binnen ergens een hoop eitjes zijn uitgekomen. De vliegen brengen hoe dan ook dood en verval in huis. Ze doen mij aan Jeroen Brouwers denken.

*

Nog tien bladzijden in Ooi en drom. Op bladzijde 633 schiet Ties wakker op de bank en dringt het niet meteen door waar hij zich bevindt. Net hetzelfde had ik deze middag. Toen ik na een paar minuten in een diepe slaap te zijn gesukkeld op de bank in (…) wakker schoot, wist ik niet meteen waar ik me bevond. Hoogst bevreemdend. Het versterkte nog mijn gevoel van malaise. (…)

7947

Oostende - 260502


vrijdag 5 juni 2026

LVO 355

fragment uit Het maaiveld


Ik herinner me wel dat ik ooit een keer, toen ik tijdens een lange namiddag het laatste examen wiskunde dat ik ooit zou moeten afleggen zat te blokken, als in een flits een uitzicht kreeg op waar het eigenlijk om draaide. Iets van begrip drong tot mij door, iets, een snuifje, un soupçon van wat die enigmatische letter-, cijfer- en symbolencombinaties zouden kunnen betekenen – en dat gevoel ging gepaard met een intense esthetische ervaring die verwant was met wat ik eens had gevoeld bij een nagespeeld schaakvraagstuk waarbij, in de oplossing, de stukken zich even onverwacht als elegant naar de onafwendbare ontknoping spoeden, of bij het besef van de duizelingwekkende oneindigheid waarin wij ons, draaiend om een hypothetische as, van een punt A naar een punt B begeven, niet alleen zin- maar ook richtingloos want beide punten blijven zelf ook niet onbeweeglijk op hun plaats staan, of hangen, in het uitdijende heelal.




Alles bij elkaar genomen kan ik mij afvragen wat ik in die zes jaar middelbare school eigenlijk geleerd heb. Wat ik er heb opgestoken wat mij de rest van mijn leven (tot nu toe) dienstig is gebleken en gebleven. Wat heb ik onthouden van al die lessen wiskunde, fysica, godsdienst, scheikunde... Ja, voor talen zou ik nog een voorbehoud kunnen maken: de taalvaardigheid waarvan ik mij bedien in mijn beroepsleven en ook bij het lezen en schrijven, dat een groot deel van mijn zelf ingevulde vrije tijd vult, zal wel voor een deel zijn aangescherpt door de lessen Nederlands, Frans, Duits, Engels en Latijn – jammer genoeg geen Grieks – die ik heb gekregen. Het Latijn is zeker ook van pas gekomen in mijn tot nu toe erg schaarse contacten met het Spaans en Italiaans. De concrete feitenkennis die ik van vakken als geschiedenis en aardrijkskunde heb overgehouden, is volledig verdwenen en overschreven door latere zelfstudie. Het is moeilijk te achterhalen in welke mate die zes jaar middelbare school, ‘genoten’ in een periode van het leven waarin de hersenen op de top van hun vermogen functioneren, mij echt hebben gevormd, van mij de persoon hebben gemaakt die ik ben geworden en in die zin werkelijk een ‘humaniora’ zijn geweest. Zeker niet meer dan de twaalf jaar ervoor, mijn eerste twaalf levensjaren, en de tijd erna – het komt mij voor dat bijvoorbeeld met betrekking tot kunst en literatuur, en zeker ook architectuur, geschiedenis, politiek en filosofie, de latere jaren, aan de kunstschool en de universiteit, in het leger en meer in het algemeen aan ‘de universiteit van het leven’, mij veel dieper en ingrijpender hebben gevormd. Filosofie, bijvoorbeeld, kwam in die zes jaar OLVA nooit expliciet aan bod. Burgerzin, democratie, solidariteit? Nauwelijks of zelfs helemaal niet. Economie en ecologie: noppes. En tot de literatuur heb ik mij pas ná de humaniora toegang weten te verschaffen – alsof de zes jaar middelbaar en alle taalleraren, met hun leerprogramma’s en benepen toetsen en examens en opdrachten voor scripties en boekbesprekingen, in dat opzicht meer een hinderpaal waren geweest dan een stimulans. De enige die daarop een uitzondering vormde was Perquy van Frans, in het voorlaatste jaar. Maar hij was dan ook de enige.

Zo weinig, zo komt het mij nu voor, leerde ik op dat college, dat ik mij nu in alle ernst durf af te vragen wat ik er eigenlijk wél leerde. Afgezien van die taalvaardigheid en wat algemene bagage, werden mij vooral disciplinering en sociale vaardigheden bijgebracht; ik leerde er hoe om te gaan met hunkering; ik kreeg inzicht in de onbenulligheid van veel volwassenen; ik kreeg een idee van de ravages die onrecht en verraad kunnen aanrichten in het hoofd en hart van de onschuldige jongeman die ik toen nog was.




7946

Oostende - 260502


driekleur 613

(...) ik herinner me hoe een gebruinde man met een militaire houding vlaggetjes prikte in een legerkaart, rode vlaggetjes voor de Turkse strijdkrachten en gele vlaggetjes voor de Russen. Het leek een magisch gebied, met zijn bergpassen, bevroren rivieren en wrede veldslagen, met zijn sneeuwjachten en rondsluipende wolven; er was een grote watervlakte die de onheilspellende maar spannende naam van Zwarte Zee droeg (...)

Saki, De complete verhalen, 632

donderdag 4 juni 2026

honderd woorden 594

DOORGEZETEN

Misschien zal ik me gedeisd moeten houden, onderduiken.’ Dat schrijft Wannes van de Velde op 9 oktober 1988, dag van de eerste verkiezingsdoorbraak van het Vlaams – toen nog – Blok. Zijn woorden spellen angst. Bijna vier decennia later is het grootste deel van het ooit totaal onaanvaardbaar geachte 70 punten-programma gerealiseerd. We vinden het allemaal normaal, de angst is weg. Wannes helaas ook. De Belangers, die nooit zelf een repressie- of expulsiewet hebben moeten schrijven, rusten op hun lauweren op het intussen doorgezeten pluche van hun oppositiebanken. Andere, salonfähigere flaminganten hebben voor hen de klus geklaard, in dienst van het kapitaal.

Wannes van de Velde, Dagboeken, 50


facebookbericht 1224

Ik heb ook al reclames gehoord met daarin de woorden 'rebel' of 'revolutie'. Met deze cynische recuperatie bemoeilijkt het kapitaal natuurlijk échte rebellie en revolutie. Het vocabulaire is nu eenmaal beperkt.

Of denk aan merken die voor hun publiciteitsboodschappen deuntjes uit de ooit rebelse pop- en rockcultuur gebruiken waarop geen rechten meer rusten omdat ze verjaard zijn. Of erger nog, die deuntjes lichtjes vervormen, zoals als ik mij niet vergis een bank nu doet met iets van Coldplay. In plaats van hedendaagse creatievelingen aan het werk te zetten.

Mocht er een manier zijn om alle ontheemden, marginalen, onaangepasten, onbegrepenen (enzovoort) te verenigen, we zouden sterk staan.

Ik las net iets wat Orwell schreef, een vergelijking tussen De Gaulle en Pétain.